Stof tot nadenken

Op de straathoek tegenover mijn kantoor situeert zich momenteel een behoorlijk grote bouwwerf. Waar ooit een ruime winkel, een café, een dancing en een verzekeringskantoor waren, worden nu nieuwe winkels en appartementen opgetrokken. Ondergronds komen garages. Een enorme put werd hiertoe uitgegraven. Al bij een lichte westenwind waait fijn zand eruit richting mijn kantoor.

Beeld van de slopingswerken op 28 maart 2025.
Het graven van de put werd aangevangen op 18 augustus 2025.

Het stof blijft niet buiten vóór mijn kantoor liggen, maar waait via het deurgat binnen. Het kleeft ook aan de voeten van iemand die bij ons binnenstapt. De keramische kantoorvloer is een zandtapijt geworden.
De bouwvakkers doen ons daarbij letterlijk in het stof bijten. Zit het niet tussen de tanden, dan voel je het zand zitten in de oren.

Nu is het zo dat Dina, mijn jarenlange vaste poetshulp, al bij de afbraakwerken van de oude bebouwing het puinstof niet meer de baas kon. Ze diende haar ontslag in.

Stof tot nadenken dus.

De aanschaf van een nieuwe mop met bijhorende centrifuge, aangedreven door voetkracht, wekte geen interesse op bij mijn technische collega’s. Dat je in moderne tijden een dweil niet meer manueel moet uitwringen maar dat de middelpuntvliedende kracht een mop van water ontdoet, kon hen een worst wezen. Er was geen interesse om de wetten van de fysica eens proefondervindelijk vast te stellen.
Dina wekte méér interesse op dan het technisch vernuft van mijn moderne Vileda Turbo EasyWring.

Wouter suggereerde de aanschaf van de allernieuwste schoonmaakrobot die in promotie stond. Wouter had met zo’n toestellen al ervaring.

Het topmodel van iRobot werd prompt, maar toch met een lichte twijfel, besteld.

We waren wat bang dat we bij de aankoop nieuwe speciale BTW-regels, per vloeroppervlak, door de regering-De Wever zouden opgelegd krijgen.
6% BTW voor de keukenschoonmaak, gerelateerd aan voeding omdat er een frigo en microgolf staat. 21% BTW voor de kantoorruimte. Voor de WC werd BTW-verlegd – hernoemd tot BTW-verlicht, de reden zal wel duidelijk zijn – verwacht.

De verwachtingen waren hoog. De koerier kon niet vlug genoeg komen.
De fantasie vierde intussen hoogtij. We zouden de robot respectvol, en door de goede herinneringen, als ‘Dina’ inschrijven. Niet in het personeelsregister, maar als naam registreren in de app.

Dina kwam ‘Dead on Arrival’ aan.
Nog geen poot uitgestoken en direct arbeidsongeschikt. Haar stootrand zat los.

Een collega boog het onprettig gevoel om door ons aan de echte Dina te laten denken. Laat ons zeggen: Dina was goed voorzien van poten en oren.
Lachend vulde ik aan: ‘Annie Bump’. Als zij rolschaatsen zou dragen, kan ze op de kermis meteen meedoen met de botsauto’s. Ik zei dat koplampen in haar stootrand waren ingebouwd. Een frontale botsing zou een leuke blijvende herinnering zijn.
De defecte stootrand van de iRobot bezorgde ons nog wat kantoorpret.

De iRobot terugsturen had veel voeten in de aarde. Om de klantenservice telefonisch te bereiken moest je geduld hebben. Met één wachtende voor me verminderde de informatieve wachttijd niet, maar die liep op. Ik deed daarom meermaals een poging.
’s Anderendaags probeerde ik opnieuw, én met succes. Ik ontving een label zodat UPS de doos kon ophalen en terugsturen.

Twee dagen later belde DHL. Ik antwoordde: “Sorry mevrouw, maar jullie collega’s van UPS hebben gisteren al het pakket opgehaald”.

Ik kreeg dit bericht:

Beste Gerdi Staelens,
We hebben je retourzending ontvangen. Het spijt ons dat het product niet voldoet.
Er is een tegoed toegekend aan uw oorspronkelijke betaalmethode. Het kan tot 14 dagen duren voordat deze restitutie is betaald, afhankelijk van de betalingsprovider.
We hopen dat je binnenkort weer bij ons gaat winkelen.
Het iRobot-team

Ik was verrast dat ik een tegoed zou hebben.

De afrekening voor het tegoed: 0,00 €
Btw: (0,00 €)*
Verzendkosten: 0,00 €
TOTAAL: 0,00 €
*Btw is inbegrepen in het verkoopbedrag

Het liedje ‘Service’ van Wannes Cappelle van Het Zesde Metaal leek verder volledig toepasselijk te zijn.

Het moet gezegd worden: we zijn onder de indruk van het technisch vernuft. Dina gebruikt amper haar stootrand. Door haar camera stuurt ze rakelings langs alle randen en hindernissen. In hoekjes kan ze haar rol uitschuiven, zodat ze weinig ongepoetst achterlaat.

We spelen soms met haar voeten. We doen dan de deur voor haar neus dicht. Dan moet ze een andere weg volgen naar de plaats waar haar opdracht wacht. We leggen ook al eens een deurmat in de weg. Dina trekt haar plan. Ze denkt beslist ‘met alle Chinezen, maar niet met den dezen’.

Ik begin een negatief kantje van me vast te stellen. Het is op het randje van pestgedrag en uitbuiting. Ik laat Dina immers vaak nachtarbeid doen, terwijl ze de taak eigenlijk kan vervullen kort na de kantooruren. Ik laat haar méér schoonmaken dan nodig. Wat een geluk dat ik geen Dimona-aangiftes moet indienen, anders viel ik door de mand.

Toch sus ik mezelf, want Dina is mijn voorkeur Google Assistant geworden. Ik geef haar liefdevol de instructies: “Laat Dina de vergaderruimte schoonmaken” of “Laat Dina de inkom dweilen”.
Maar soms volgt ze niet strikt mijn instructies. Vaak gaat Dina dweilen i.p.v. stofzuigen. Misschien een taalbarrière door haar vreemde afkomst?
Of zou Dina één of andere artificiële weerspannigheid uiten, omdat er ook grenzen aan een flexi job zijn?

Dan schuilt er toch onderhuids een schuldgevoel.
Ik verwacht te veel van haar. Ik laat haar te veel werken.

Ergens kan dat kloppen, want het meegeleverde flesje StayClean was op amper drie dagen leeg.
Ik moest dus op zoek naar nieuw schoonmaakproduct. Geen Ajax of Mr. Proper.

Dina verwacht van mij pH-neutrale vloerreiniger. Dat wijst volgens mij terug op haar artificiële intelligentie. Het nieuws ging beslist als een lopend vuurtje rond onder de collega’s van de schoonmaaksector:

Poolse poetsvrouw vergiftigt ‘onuitstaanbare’ collega met bijtend kuismiddel: “Hier komt de thee”. HLN, 31 maart 2025.

Ik wilde de perikelen van de vorige een online-levering vermijden en stapte bij Vanden Borre binnen.
“Hebben jullie zo’n StayClean voor iRobot?”. De verkoper antwoordde me: “Meneer, je weet toch dat iRobot failliet is? We hebben wel een universele floorcleaner in één literflessen”.

Nog in de winkel kon ik achterhalen dat het Amerikaanse bedrijf achter iRobot en Roomba, Chapter 11 had aangevraagd en intussen werd overgenomen door Shenzhen Picea Robotics, een bedrijf uit China dat veel Roomba-robots produceerde voor iRobot. Oefffff…

Dan blijft er finaal nog één probleem: Dina draait haar te veel in het WC. Ze laat sporen achter.

Het noorderlicht, met een schaduwkant

Niet alles is wetenschappelijk verklaard.
Maar soms ben je héél zeker over een verklaring voor een mysterie.
Ik zit in die fase.

Amper drie dagen heb ik getwijfeld over iets waarover wetenschappers zich nog niet hebben uitgesproken.

Ik ken nog niet alle details, maar toch wil ik mijn vaststelling al wereldkundig maken. Misschien pikt men mijn bevindingen meteen op voor Nature, ’s werelds meest toonaangevende multidisciplinaire wetenschappelijke tijdschrift.

Het gaat over het noorderlicht.

Nu is er al heel wat gekend over dat fenomeen, maar toch niet alles.
Zo is het nog niet gekend wat de impact is van het noorderlicht op levende wezens.

Mijn mogelijkheden om onderzoek te doen zijn beperkt.

Als levende wezens heb ik slechts twee konijnen en twee duiven. Daarmee moet ik het doen, en daardoor is mijn steekproefgrootte beperkt om sluitende wetenschappelijke conclusies te trekken.

Toch zal ik niet verder nagaan hoe mijn konijnen zich gedragen bij noorderlicht. Mijn langoor zit immers altijd ergens anders in de tuin. Zoek die maar eens in het donker. Tegen dat je het konijn gevonden hebt, kan het noorderlicht al gedaan zijn.

Mijn koppeltje duiven zit tijdens de nacht daarentegen wel altijd op hetzelfde veilige plekje. Vanuit hun slaapplaats kijken mijn Gentse kroppers naar het noorden, over een open ruimte. Ideaal dus om te observeren welke impact het noorderlicht heeft op levende wezens.

Ik hoor je al reageren: “Slechts twee duiven? Griet is daar ook nog.”

Akkoord, maar ze vertikt het om in de winteravonden lang buiten te staan.

Trouwens, ik ben ook geen voorstander om het onderzoek met Griet te doen, want volgens de christelijke leer raakte de maagd Maria in verwachting door de Heilige Geest. Op oude schilderijen wordt de Heilige Geest voorgesteld als een duif gedragen door licht. Dat licht werd later vaak voorgesteld als iets plots, overweldigend, elektrisch en onontkoombaar.

De Bijbel beschrijft de situatie voor mij te onduidelijk. Ik kan mijn pap niet koelen met iets als: “De Heilige Geest zal over u komen en de kracht van de Allerhoogste zal u overschaduwen.”

Ik neem dus geen risico met Griet. Met twee kinderen heb ik genoeg en ik wil niet dat ik, zoals Jozef, pluspapa moet worden van een kind waarvan mijn Gentse kropper de natuurlijke of geestelijke — whatever — vader zou kunnen zijn.

Dus het zijn enkel mijn duiven die in het Nature-artikel zouden kunnen komen.

Bij het laatste sterk waarneembare noorderlicht, in de avond van maandag 19 januari 2026, keek ik naar een leuk tv-programma en was mijn jeneverglaasje net vol. Dat weerhield mij ervan om te gaan kijken hoe mijn duiven zich gedroegen onder invloed van het noorderlicht.

Spijtig, want op dinsdag vielen mijn wetenschappelijke mogelijkheden volledig weg. Ik kon mijn observatie-eenheid, mijn Gentse kroppers, niet meer vinden. Ze waren ervandoor.

Gedaan met mijn wetenschappelijke ambities.

Of toch niet helemaal…

Pas nadat ik een artikel las op VRT NWS las besefte ik dat er werk op de plank lag voor mij.

Noorderlicht in Vlaanderen © VRT NWS, Dennis van den Buijs,
“Reken niet op het noorderlicht vanavond”, zegt Volkssterrenwacht Urania in Hove di 20 jan. 2026 13u51?

Ik las:
Het waren maandagavond dan ook unieke omstandigheden, benadrukt de directeur van Urania. “Door die zonnestormen zijn er gaswolken de ruimte ingestuurd aan 1.000 kilometer per seconde, dubbel zo snel als normaal. In amper 48 uur bereikten ze de aarde. Door die snelheid zijn de geladen deeltjes van de zon ook veel verder doorgedrongen dan het poolgebied. Wanneer die reageren met de atmosfeer op 70 kilometer hoogte zie je groen en roze licht.”
Zelfs de vele leden van Urania die de ruimte op de voet volgen, waren verrast. “Deze intensiteit had niemand voorspeld. Tot 22 uur gisteravond, toen onze WhatsApp-groep begon te ontploffen en de eerste waarnemingen van overal in Vlaanderen kwamen”, zegt Van Den Broeck.

Ineens besefte ik dat mijn Gentse kroppers wel eens schrik konden hebben gehad van het noorderlicht.

Thomas en Marc, ervaren duivenliefhebbers, hadden hier nog nooit van gehoord. Verstoord aardmagnetisme zagen ze als mogelijke oorzaak voor een oriëntatieprobleem bij het vliegen… Maar mijn duiven zaten stil, in slaapmodus.

Ik zocht naar alle beschikbare informatie over het noorderlicht, gecombineerd met aardmagnetische verstoringen én vooral de impact ervan op duiven.

De beschikbare informatie viel tegen. Mijn onderzoeksonderwerp bleek grotendeels onontgonnen terrein te zijn.

Ik maak een samenvatting van wat ik kon vinden:

Bij hevige zonneactiviteit worden geladen deeltjes (elektronen en protonen) intenser de ruimte in geslingerd.

Die deeltjes worden door het aardmagnetisch veld afgebogen naar de polen. Daar volgen ze de magnetische veldlijnen, maar als er veel zijn kunnen ze het magnetisch veld laten wiebelen.

Duiven hebben een soort magnetisch kompas in hun lichaam. Ze oriënteren zich deels op het aardmagnetisch veld, dat dus verstoord kan zijn.

Terug naar de deeltjes…

Terwijl de deeltjes in de atmosfeer dringen, botsen ze met gassen en ontstaat er licht, wat we noorderlicht noemen.

De verschillende gassen, die zich elk op een bepaalde hoogte bevinden, zorgen voor een specifieke kleur.

De meest voorkomende groene kleur ontstaat wanneer de deeltjes botsen met zuurstof op zo’n 100 tot 150 km hoogte. De zeldzamere rode kleur ontstaat bij minder zuurstof boven de 200 km.
De paarsblauwe kleur ontstaat door de botsing met stikstof.

Het noorderlicht bestaat dus niet uit één kleur, maar uit een mengsel van emissies. Ons oog heeft drie types kegeltjes die elk reageren op een bepaalde lichtgolflengte, met wat overlap. Ons brein reduceert die kegeltjesinformatie tot één kleur. Ons brein maakt van het noorderlicht een overwegend groene kleur.

Blijkt dat duiven méér zien dan mensen. Ze kunnen ook ultraviolet en gepolariseerd licht waarnemen, kleuren die voor ons eenvoudigweg niet bestaan.

Dat komt omdat duiven vier aparte kegeltypes hebben voor UV, blauw, groen en rood. De kegeltjes hebben minder overlap en reageren strikter op het groene zuurstoflicht, het blauwe stikstoflicht en het UV-licht, zonder dat ze tot één kleur versmelten.

Het noorderlicht is voor een duif dus niet groen, niet blauw, maar een complex patroon van kleur, intensiteit en richting.

Tot zover mijn samenvatting van de wetenschap over ruimtefysica, neurobiologie en zintuiglijke fysiologie.

Maar of mijn duiven stress konden krijgen van het noorderlicht blijft zonder sluitend wetenschappelijk bewijs.
De studies zijn tot nu toe vooral gericht op magnetische veldverstoring en navigatie.
Wél zijn er studies die laten zien dat kunstlicht stressreacties veroorzaakt bij vogels, vooral wanneer ze tijdens hun slaap storend licht ervaren. Dan wordt corticosteron aangemaakt, het belangrijkste stresshormoon bij vogels. Corticosteron is objectief meetbaar in bloed en veren.

(Hitchcockproject.org: Urban wildlife: how noise and light pollution affect birds, 07 Dec. 2020 – To study the impact of noise and light on birds, Ouyang measures a hormone called corticosteron)

Met de informatie van vogelliefhebbers kwam ik een stap verder…
Ik vond de vraag “wat zien duiven?” terug op een Reddit-forum.

Het eerste antwoord van ‘eden-flight’ was meteen to the point:
“Veel vogels kunnen een veel breder kleurenspectrum zien dan wij. Als ik me goed herinner, zien wij ergens rond de paar miljoen kleuren tegenover hun miljarden.
Dingen lijken veel levendiger voor hen, wat ook hun vermogen om effectief in donkere plaatsen te zien kan beïnvloeden, tenzij ze zich daarin specialiseren zoals uilen.
Dingen zoals de Kelvin-waarde van onze dagelijkse gloeilampen lijken voor hen heel anders dan voor ons. Wit licht zal blauwer lijken voor hen, terwijl warm licht roder lijkt. Rood veroorzaakt paringsgedrag terwijl blauw stress veroorzaakt, dus je zou daglicht-Kelvin voor ze willen.”

From < https://www.reddit.com/r/pigeon/comments/1c6l695/what_do_pigeons_see/?tl=nl&captcha=1>

Meteen werd het ook duidelijk waarom ik schrik heb van blauw zwaailicht.
En… waarom ik het warm krijg in het Glazen Straatje in Gent.

Radio 1 hielp me op zaterdagochtend 24 januari nog een stap verder.
Ik hoorde in De Ochtend de reportage van Joris Vergeyle: “Wat is de impact van hormonen op het vrouwelijke brein?

Oké, ik weet dat ik mij op glad ijs begeef…
Maar Patricia Clement (UGent) legt uit dat hormonale veranderingen de doorbloeding van de hersenen beïnvloeden. En dan krijgen vooral vrouwen hoofdpijn, stress e.d.m. Mannen ook, maar minder.

Dan is 1 en 1 toch 2?

– Duiven schrikken tijdens hun slaap door fel licht.
– Het noorderlicht, met zijn UV-licht, was op 19 januari 2026 héél fel.
– Duiven hebben aparte kegeltjes voor UV en geven sterke prikkels door.
– Het corticosteronhormoon wordt aangemaakt.
– De hormonale verandering veroorzaakt meer doorbloeding in de hersenen, hoe klein ze ook zijn.
– De duiven ervaren stress en pijn.
– En foetsie zijn ze… naar veiligere oorden.

Dezelfde zaterdag, de eerste dag met mooi weer, landden mijn duiven om 14 uur terug!
Na vijf dagen was de schrik weg…

Vandaag nam Marc uit Limburg contact met me op. Hij liet me weten dat zijn broer op dinsdag twee van zijn vier duiven miste.

Toeval?

Mijn hypothese staat recht.
Ik heb mijn Gentse kroppers terug.
Nature heeft mijn artikel nog niet opgepikt,
maar bij het volgende noorderlicht
laat ik mijn jenever toch even staan.

Oh ja — diezelfde zaterdag had ik finaal vier duiven.
Ik ging bij Thomas nog een koppeltje ophalen.
Ik zal tijgertjes leren kweken.

De Kamer voor Minnelijke Schikkingen

Ik volgde een cursus minnelijke schikking en wil mijn opgedane kennis toetsen aan een situatie die echt zou kunnen zijn geweest.

De spanning is al een tijdje te snijden op ons pleintje waarop ik vanuit mijn living uitkijk. Louise woont links van me in het straatje dat op het pleintje uitkomt. Gaston is mijn rechterbuurman.

Louise en Gaston, 2 augustus 2008.

Louise en Gaston zeggen elkaar geen goede dag meer. Ze mijden elkaar zoveel mogelijk.

Roger, de zoon van Gaston, die in het straatje recht tegenover Louise woont, is de man met raad voor zijn vader. Hij vindt dat Gerdi moet weten dat er wat scheelt. Na maanden van spanningen en twisten komt Roger me vragen of ik eens met beiden wil praten en eens bemiddelen.

Roger vertelt me dat het probleem zich vermoedelijk situeert in de kaartersclub van Okra. Louise en Gaston manillen aan hetzelfde tafeltje en beiden kunnen dit seizoen clubkampioen worden. Hij kent de juiste reden niet, maar vermoedt dat één van de twee vals speelt.

“Gerdieten, gie kunt da”, “je ziet gie nog ne rappen, regelt dat ne keer”, smeekt Roger.

’t Is donderdagavond en ik schrijf vlug een A4-tje als uitnodiging voor komende zondagvoormiddag om 10u. Mijn briefje is voor de tachtigers geschreven met grote letters en in begrijpelijk West-Vlaams.

Bij Gaston geraakt het briefje moeilijk in de brievenbus, want de streekkrant zit er nog in. Door de streekkrant niet uit de bus te halen protesteert Gaston tot de volgende week omdat hij geen reclame wenst: “Het klevertje is toch duidelijk: geen reclame!”. Feitelijk haalt hij die krant er ’s anderdaags wél uit omdat hij anders onzeker is of hij anders wel het duivengazetje zou ontvangen. Maar vóór de streekkrantbedeling op vrijdag komt. steekt hij de vorige gazet terug.

Ik probeer de zaterdagavond nog eens na te denken over mijn buren. Niet te veel, want ik wil de situatie bekijken met een open vizier. Geen ingenomenheid ten opzichte van mijn lieve buren.

Gaston is competitief ingesteld. Hij speelt met duiven. Ik weet dat hij niet zo goed kan kaarten, maar hij wil ook eens Okra-kaartkampioen zijn.

Louise is minder gedreven en ze tolereert een foutje. Ze heeft ook zo’n klevertje op de brievenbus waarmee ze te kennen geeft aan de krantenbedeler dat ze geen reclame wil. Louise lost echter het probleem op haar manier op. Ze steekt haar kachel aan met de streekkrant.

Klokslag 10 horen we simultaan onze deurbel in de keuken. Ze zijn beiden stipt.

Ik probeer de weg wat voor te bereiden en help hen de twee trapjes op aan mijn voordeur.

Mijn living is de kamer voor de minnelijke schikking. “Ga junder moa gemakkelijk zetten aan tafel, elk aan ne kant”, zeg ik terwijl ik me aan de kop van de livingtafel zet.

Ik voeg er nog aan toe: “Als de zon in junder ogen zit, moet je maar ne stoel opschuiven.” Eigenlijk is dat zever, want de zon zit om 10u nog maar aan mijn voordeur, maar ik wil gewoon tonen dat ik de fijne dingetjes van de cursus begrijp, zoals dat het licht in de kamer belangrijk is. Dat even terzijde.

Ik speel even schoolmeester en bepaal enkele spelregels. Ze weten van mij dat ik geen onbeperkte tijd heb en wil afsluiten om 12u.

Ik laat Gaston eerst zijn verhaal brengen. Ik ben immers tegen positieve discriminatie en wil niet dat men denkt dat ik vrouwen bevoordeel.

Met mijn handen vorm ik een dakje. Door een andere cursus weet ik dat ik dan de indruk geef dat ik aandachtig luister.

“Als ik trakteer, drinkt Louise altijd paters van 12°.” “Ik heb dan altijd een duurdere rekening op het einde van de kaartnamiddag”, zegt Gaston met een toch behoorlijk forse stem voor een tachtiger. “En met mijn pensioentje is dat niet simpel.”

Ik herken de emoties bij z’n laatste zin.

Dan is het aan de beurt van Louise: “Waarom zou ik niet mogen kiezen wat ik drink?” “Ik ben een vrij mens.” “Van mij mogen ze ook toch drinken wat ze willen.” Ze zegt nog: “Ik cijfer daar zo niet naar.”

Gaston voelt zich aangevallen.

“Ik ben toch geen gangster… en één van West-Vleteren zou nog duurder zijn. En moest je dat drinken op de platse in Koekelare, je gaat nogal een beetje meer betalen”, gaat Louise verder.

De sfeer slaat om als Louise zegt: “Over wat zeur jij eigenlijk?”

Ik zeg: “Een momentje.”

“We gaan dat onderwerp even parkeren.”

“Parkeren?”… Simultaan kijken Gaston en Louise naar buiten naar het pleintje. “Parkeert daar nu een wagen? De kinesist komt toch niet op zondagvoormiddag”, zegt Louise.

Louise draait haar hoofd terug naar mij en zegt: “En als dat hier zo is, moe ’k niets meer hebben om te drinken.” “En weet je wat… ’k ga niet meer gaan kaarten.” “Were naar huys gaek… Godverdomme.”

Griet waant zich simultaan een basketbalcoach en stuurt aan op een time-out. Ja, dat vergat ik nog te zeggen: ik stelde Griet aan als observator. Ze mocht subtiel tussenkomen.

Ik heb chance, want de Getuigen van Jehova bellen net aan. Ik stap naar de voordeur en zeg terwijl: “Denk eens na of de drankrekening de enige reden is voor het probleem.” Ondertussen konden ze ook wat stoom aflaten.

Ik geef de Getuigen iets méér tijd voor hun praatje, voor ik ze vriendelijk verzoek om het af te trappen.

Ik zet me terug aan tafel en zeg: “Is er hier niet iets meer aan de hand?”

Doelbewust vraag ik Louise niet “waarom” ze een trappist vraagt, maar formuleer ik mijn vraag als volgt: “Is het drinken van een trappist belangrijk voor jou?”

Louise zegt me: “Met een pater neemt mijn nervositeit af tijdens het kaarten en ’t is er één van 8° en niet van 12 graden.” Ze vult zonder naar adem te happen aan met: “Als ik laat in de namiddag koffie drink, krijg ik maagzuur.” “En als ik witte wijn drink, krijg ik ’s nachts krampen in mijn kuiten.”

Ik zeg: “Ja, dat weet ik van jou,” en vul met een te snel tempo aan: “Alcohol werkt vocht afdrijvend en dan heb je tekort aan magnesium of kalium. Dat zijn de klassieke oorzaken van spierkrampen. En witte wijn bevat vaak meer sulfieten dan rode wijn en sommige mensen reageren daar gevoelig op. Witte wijn is doorgaans ook zuurder dan rode wijn. Bij sommige mensen verhoogt dat de prikkelbaarheid van de spieren…”

Ik besef ineens dat ik een beginnersfout maak. Ik moet Louise niet bevestigen. En ik meen dat ik beter wat trager spreek om de opwinding bij Gaston niet op te drijven. Hopelijk zorgt de lage toon van mijn zondagochtendstem voor wat compensatie.

Ik sus mezelf, want Gaston weet nu tenminste dat Louise niet als een profiteurke kiest voor een trappist.

Gaston wil het woord…

“Witte wijn? Mijn voeten… Ze boft altijd met haar Picon vin blanc… da’s ook met witte wijn en dan spreekt ze niet van krampen. En trouwens, Louise is van geboorte uit Normandië en daar drinken ze calvados en geen picon. Ik heb jaren het bietenseizoen in Livry-Louvercy gedaan, dáár drinken ze picon. Ík, verdomme, ík kan het weten! Ze kent niets van picon.”

Louise reageert…“Maar jouw duiven schijten altijd op mijn dak.”

Ze vult aan met: “En ook op jouw dak, Gerdi. Gij zijt er ook niet blij mee.”

Ik laat niet toe dat Louise sympathie losweekt bij mij.

Ik overweeg een caucus in onze keuken. Maar ik doe het niet, want in onze living zou je kunnen horen wat we in de keuken zeggen. En dat Franstaligen graag een caucus doen kan goed zijn, maar Louise is een Française en geen Waal.

Ik kom tussen en schrijf de woorden picon en duiven op de flipchart…

“Dat gaan we beter eerst oplossen,” zeg ik… en “Wat is volgens jullie prioritair?”

“De duiven,” zegt Louise!

“Voor mij ook de duiven,” zegt Gaston!

Ik identificeer de belangen.

Ik voel een compatibiliteit en laat hen aan het woord.

Gaston: “Ik kan niet verdragen dat ze de streekkrant gaat opbranden als mijn duiven trainen. Die beestjes moeten vliegen in zuivere lucht.”

Gerdi: “Wat is volgens jou de oplossing?”

Gaston: “Ze moet de streekkrant opbranden op donderdag, vrijdag of zaterdag, als mijn duiven op weg zijn naar Arras, Dourdan of Barcelona. Dan hebben ze geen last van de vuile rook.”

Gerdi tegen Louise: “Heb je daar problemen mee?”

Louise: “Nee, ik wil de kranten opbranden op vrijdagvoormiddag. In de namiddag komt de poetshulp en dan kan ze dat stof ervan mee opvegen.”

Gaston en ik fleuren op.

Maar ik weet ook van een ‘spook’-situatie…

Roger heeft een vliegenraam aan de kant van het straatje. Hij kan horen en zien wat Louise zegt en doet. Als Louise het voornemen heeft om kranten te branden, gaat Raymonde, de vrouw van Roger, meteen naar haar schoonvader… en zegt: “Laat de duiven nu maar vliegen. Het zal straks regenen.”

Gaston weet van toeten noch van blazen.

Hij beseft dat hij op stang is gejaagd voor iets dat kon vermeden worden.

Gaston is beschaamd.

“Gaston, kan jij met iets compenseren?” vraag ik nog.

Gaston: “Ze mag ook mijn streekkrant opbranden.”

Louise glundert.

En nu stel ik voor om het probleem van de drankrekening van de Okra-kaartnamiddag op te lossen. Ik minimaliseer niet en zeg niet “drankrekeningske” want dit is het hoofdprobleem!

We brainstormen, ik gebruik de flipchart:

  • “Ik schrikkel een traktaat, ne pater is 33 cc en ik kan toch zo vlug niet drinken,” zegt Louise.
  • “Misschien kunnen we het rekeningske delen,” zegt Gaston.
  • Louise zegt nog: “We gaan nog een zakje chips vragen, voor ons samen.”

Ik meen dat de drie voorstellen kunnen gecombineerd worden. Ze vormen samen een goede oplossing.

Ik herhaal wat we zijn overeengekomen.

Louise en Gaston zijn gelukkig.

Griet vraagt: “Ga je nog wat drinken?”

Louise zegt: “Als er nog zo’n West-Vleteren is, da misschien.”

“Heb je nog van die picon staan, zoals van de laatste keer?”, vraagt Gaston.

“Ja ja, Gaston, de fles was nog niet uit.”

Welke software probeert jouw boekhouder jou op te dringen?

Laat ons eens eerlijk zeggen welke software boekhoudkantoren je vandaag willen laten gebruiken.

Billit, Billtobox, ClearFacts… zijn allemaal portaal- en hulpsoftware voor boekhoudkantoren. We noemen dat tegenwoordig “pre-accounting software”. Maar dit zijn niet de echte boekhoudprogramma’s waarmee het kantoor zelf werkt.
En vooral: het zijn géén programma’s om bedrijven mee te automatiseren.

In het begin lag de focus van zo’n pre-accounting software vooral op het automatisch verwerken van gescande facturen, om zo wat tijd te winnen voor de boekhouder. Maar dat bracht ook problemen mee: een ‘0’ al eens gelezen als een ‘O’, en een ‘1’ als een ‘I’.

Later hebben ze van die hulpmiddelen dan maar een portaal gemaakt zodat klanten hun facturen niet meer fysiek moesten binnenbrengen. Want ja, als een bedrijf zelf z’n PDF-facturen aanmaakt of ontvangt, moet er in het kantoor niks meer gescand worden. Dan is het logischer dat klanten gewoon hun PDF’s slepen naar een portaal dat gekoppeld is aan de pre-accountingsoftware van hun boekhouder.

Maar daarmee was het echte probleem — het interpreteren van facturen — nog altijd niet opgelost.
Er bleef een vertaalslag nodig.

Om die conversieproblemen te omzeilen, hebben die softwaremakers het dan maar met de grove borstel aangepakt: ze hebben er een simpel facturatieprogramma in ingebouwd, met alle beperkingen van dien.
En zo moest de handelaar zich maar aanpassen aan wat de boekhouder ooit gekozen had als hulpprogramma. Dat was dus ‘omgekeerde wereld’.

Intussen is die dwingende houding — “gebruik ons facturatieprogramma want anders kunnen we jouw facturen niet verwerken” — volledig achterhaald. Met elektronische facturen is er namelijk géén vertaalslag meer nodig.

Alle e-facturen volgen dezelfde structuur. Laat ons zeggen: alle pakketten spreken intussen Esperanto. Iedereen begrijpt elkaar zonder tussenpersoon. Jouw facturen kunnen bijna rechtstreeks in het boekhoudpakket van je boekhouder worden ingelezen.

En eigenlijk… voor een boekhoudkantoor zelf is pre-accountingsoftware vandaag niet eens meer nodig.

Het is gewoon een extra kost die uiteindelijk bij jou terechtkomt — zonder dat jij er nog voordeel uit haalt.

Oh, ja… houdt jouw boekhouder vast aan zijn pre-accountingsoftware, geen probleem.
Vraag hem naar jouw informatie om automatisch de verbinding te maken. Wij configureren dan jouw programma.

Lees ook dit hierover:

Over Theofiel, Firmin en de voortplanting van mijn kroppers

Mijn koppeltje Gentse kroppers inspireert me om meer te leren over duiven.
Maar hoe meer ik erover lees, hoe meer vragen ik me stel.

Misschien is dat een gevolg van mijn informaticaopleiding. Mijn strakke ‘dan en alleen dan als’-redenering blijkt niet gevolgd te worden door mijn gevleugelde vrienden. Als beginnende duivenmelker denk ik misschien te veel na en geraak ik zo van mijn melk.

Ook informatie van ervaren duivenmelkers zorgt voor nog meer verwarring.
Zo weet Eric het geslacht te achterhalen door de lengte van het middelste teentje te observeren. Thomas herkent het mannelijke geslacht aan kleine vlekjes op de vleugels. En ik zie zelfs het verschil niet.
Marc doet een lookteentje in het water. Anderen weten dat badzout gunstig is… voor…? Ik kan het niet meer volgen.

Neem het van mij aan, duiven houden is complex. Én toch kon Gaston, mijn buurman zaliger, goed overweg met de duivensport – waarmee ik niets wil beweren over zijn capaciteiten, eerder over mezelf.
Toch laat ik mijn vleugels niet hangen, want ‘duiven houden voor beginners’ toont aan dat ik niet alleen ben.

Hoe dan ook, het is duidelijk dat ik zelf ervaring moet opbouwen en mijn eigen weg moet gaan. Volharden is daarbij de boodschap.
Toch is knowhow van derden nodig. In mijn familie ging de informatie niet over van vader op zoon. Mijn vader kweekte in mijn jeugdjaren wel enkele duiven, maar dan om op te eten.
Thomas is zo vriendelijk om me wat te begeleiden.
Ik combineer zijn informatie met het lezen van artikels, liefst wetenschappelijke.

Zo las ik dat de lentezon de geslachtsklieren van mijn jonge kroppers activeert. Bij het wijfje zouden de eierstokken follikels ontwikkelen en oestrogenen aanmaken. Bij mijn doffer zouden de testikels groeien en testosteron aanmaken.
Zou Gaston dat ooit geweten hebben?

Het paren is eveneens een boeiend onderwerp. Zeker als je weet dat Darwin de penis van een mannetjesduif omvormde tot een multifunctionele cloaca. Darwins ontwerp komt dan misschien wel de aerodynamica ten goede, maar ik heb mijn twijfels of een doffer wat seksueel genot heeft tijdens zo’n stuntelige cloaca-kus.

Hun allereerste broedsel bracht meteen één jong ter wereld. Een jonge doffer werd geboren op 18 april 2025. Ringen deed ik op 26 april 2025.

Voor dat laatste trok Thomas aan de noodrem. Bij het zien van een WhatsApp-foto nam hij meteen de smartphone. Ik hoorde dat ik werkelijk álles foutief deed: “Gerdi, dat ringetje moet aan het rechterpootje, het moet boven het kniegewricht en de tekst moet ondersteboven“.

Mijn redenering hiervoor was nochtans onderbouwd. Ik draag mijn trouwring aan mijn linkerhand, dus die duif ook.
En hoe Griet mij 40 jaar geleden heeft geringd – met de gegraveerde namen en trouwdatum ondersteboven of niet – dat kon me een worst wezen. Maar bij mijn duiven moesten de regels van de kunst gevolgd worden.

Over het voeden van de jongen wist ik ook niet veel.
Ik dacht dat vogels hun eten wat zouden pletten in hun bek tot het fijn was om zo aan hun jongen te geven. Zoals moeders destijds vóór dat Bambix of Nutricia bestond ‘mompjes’, voorgekauwde voeding aan hun baby’s gaven. Nee, blijkt dat het woord duivenmelkers een achtergrond heeft… Duivenmelk of duivenpap bestaat effectief.

Duivenmelk komt niet uit verborgen tepeltjes op het duivenlichaam. Trouwens, stel je voor dat de jongen met hun snaveltje – ik denk aan een knipschaar – daarmee zouden moeten eten… Ai ai, voor de mama-duif.
Nee, duivenmelk is een witte tot geelachtige voedzame en zachte substantie die gevormd wordt in de kropwand van ouderduiven en dit zowel bij de doffer, als bij de duivin! Twee dagen vóór het uitkomen van de eitjes schiet een chemisch proces in gang. Ik las dat er tot 60% eiwitten en 30% vetten in de melk zit. Ook vitaminen o.a. calcium, fosfor, vitamine A & B, antistoffen en bacteriën versterken de darmflora en immuniteit van de jongen. Ik moet nog controleren of die componenten allemaal in mijn Natural Sierduivenmengeling zitten.

Duivenmelk verdikke… Zo voedzaam! Raar dat men er nog niet op grote schaal mee uitpakt en dat de firma Packo hier nog geen melkmachine voor heeft uitgevonden.

Mijn duivenjong begon zelfstandig te eten op 9 mei en op 12 mei deed hij aan vleugelfitness in het broedhok. Dertien dagen later kwam hij voor het eerst naar buiten. Maar ik had met hem al eerder een toertje in de tuin gemaakt.

Daags voor de nationale feestdag migreerde mijn jonge doffer naar Hasselt, naar het hok van Marc.
Marc had daarvoor een mooie moderne aluminium duivenkooi mee. Toen pas besefte ik dat ik met een oude uitgerafelde rieten mand, van wijlen Gaston, bij Thomas was geweest om het ouderpaar op te halen. “Wat is me dat hier“, moet Thomas hebben gedacht. “Dat heb ik jaren niet meer gezien“. Maar ja, als je van niet beter weet…

Er volgden nog vier broedsels maar die bezorgden me geen jongen meer.

Alhoewel het niet gebruikelijk is bij duiven, zou ik toch een broedmachientje overwegen waarbij ik de eitjes zou verwisselen. Ik moest toch iets ondernemen opdat mijn duiven geen postnatale depressie zouden krijgen.

Men fluisterde in mijn oor dat ik de eitjes kon vervangen door patatjes. Ik weet nog altijd niet of men mij te graaien nam of niet. In elk geval, ik heb vooraf een duiven-IQ-test gedaan. Een zwakke score. Mijn kroppers zorgden zowel voor een te klein patatje als voor een te grote patat.

Toch vond ik dat ik niet te erg met hun edele delen mocht spelen. Dus reed ik naar Lichtervelde om plastieken eitjes. De Demster-verkoopster zei me: “meneer ze zitten per 20 verpakt”. Achttien, jawel achttien, eitjes te veel. Ik had geen keus.

Bol.com leverde mij de HHD luxe broedmachine 24S, ook voor te veel eieren maar dat was het knapste toestel. Ik kon achterhalen dat de ideale broedtemperatuur 37,5 °C is en de machine werd dan ook tot op de komma precies ingesteld.

Ik wilde mijn broedende duiven niet doen schrikken door te koude plastieken eieren onder hen te leggen.
Hoe zou ik kunsteitjes op 37 °C krijgen?

Simultaan dacht ik aan een mopje:
Er was eens een man, laten we hem gemakshalve Theofiel noemen.
Die liep steeds depressief rond, een beetje ‘Radio Deprimo’ dat we zeggen. Steeds neerslachtig, nooit gelukkig.
De reden was dat God hem te goed had geschapen. Theofiel had niet twee, maar drie testikels. Hij voelde zich daarom geen echte man.
Het was een psycholoog die op hem inpraatte. Theofiel voelde zich op den duur steeds beter en finaal beter dan een normale man.
Theofiel stapte na zijn laatste therapie meteen naar een café en vroeg twee pinten. Hij trakteerde fier een man aan de toog – laat ons zeggen Firmin – en begon een gesprek aan te knopen: “weet je… dat wij samen 5 ballen hebben“. Firmin antwoordde “Heb jij maar één bal misschien?“.

Ik had er niet aan gedacht dat ik die plastieken eitjes ook kon opwarmen in het nieuwe broedmachientje. Foert… En trouwens, het machientje leverde niet het gewenste resultaat.

Nog wat feedback van een ervaringsdeskundige:
– De Björn Borg boxershorts zijn ideaal. Ze hebben nauw aansluitende broekspijpjes.
– In het begin is het een beetje raar, maar ik weet tenminste hoe het voelt bij Firmin.

Mist in PEPPOL-land?

De ochtenden zijn al eens mistig en ’s avonds is het vroeger donker.
Afgelopen maandag 29 september 2025 hing de duisternis de hele dag boven PEPPOL-land.

De vzw UBL.be, de organisatie die haar leden een instrument aanreikt om te controleren of de elektronische documenten voldoen aan de voorgestelde standaarden, liet weten dat een advies niet wettelijk is.

Hun UBL-extensie, m.n. UBL.BE, is niet conform de wetgeving, omdat er extra elementen in het XML-formaat zitten.
Het enige formaat dat wettelijk is in België voor B2B, is Peppol BIS Billing 3.0 (BIS3), gebaseerd op de Europese norm EN 16931.

Een extensie zoals UBL.BE voegt extra velden toe, waardoor het XML-bestand dat over het PEPPOL-netwerk gaat, niet conform is, maar wel “conformant” (d.w.z. compatibel, maar niet wettelijk conform).

Omdat landen, sectoren of organisaties soms specifieke bijkomende regels nodig hebben (b.v. verplichte velden, beperkingen, of extra businessregels), kunnen ze een CIUS publiceren. Een CIUS staat voor Core Invoice Usage Specification en is te zien als een beperking of een strengere regel, waarmee men binnen de EN 16931-norm blijft.
Zo is de Belgische Peppol BIS Billing 3.0 (BIS3) een CIUS van EN 16931.

België met zijn vele afwijkingen in BTW- en overige taksregels, denk maar aan Korting Contant en Bebat, Fost Plus, Reprobel, Auvibel, Valorlub, Vlam, Valumat… – heeft eerder een uitbreiding, of een plaatselijk dialect met extra velden nodig.

In die zin had de vzw UBL.be volkomen gelijk om met een extensie naar voren te komen.
De UBL.BE-extensie is echter niet conform en dus wettelijk niet toegestaan vanaf 1 januari 2026.

Een revisie van de norm EN 16931 ligt als elegante oplossing voor de hand. Hiervoor moet er echter een politieke procedure met stemming doorlopen worden.

Bijgevolg moeten we nu voor bijvoorbeeld de BTW-berekening bij toepassing van Korting Contact, een workaround toepassen om binnen de EN 16931-norm te blijven.

In de wandelgangen vernamen we intussen dit: “Wat korting contant betreft hebben een aantal softwarepakketten beslist om het gewoon niet meer te voorzien.”

Winking bv blijft vasthouden aan het principe om zijn software volledig conform de wetgeving te houden, én tegelijk alle fiscale faciliteiten te ondersteunen!
Bij Followin’ beperken we onze gebruikers niet in hun mogelijkheden.

Voor Followin’-gebruikers is er geen vuiltje aan de lucht en blijft de zon schijnen.

Als jouw boekhouder taxichauffeur speelt…

Er valt me wat op…
Een handelaar beschouwt een boekhouder als intellectueel superieur aan hem.
Ze geloven hem blindelings, met hun ogen toe.

Zoals in elke stiel heb je knappe koppen en héle knappe koppen. Dus ook bij boekhouders.

Bij advocaten doet iedereen er automatisch nog een categorie bij: de listige… slim op een sluwe manier.
Wel, ik kan je verzekeren: er bestaan ook listige boekhouders.

Je hebt ook boekhouders die advies geven over zaken waar ze niets van kennen… bv. softwaretoepassingen: “ik gebruik dat … ik zou dat ook nemen.”
Als hun advies daar stopt, dan weet je het wel.

Het komt echter niet in het hoofd van een handelaar om te twijfelen aan zijn vertrouwenspersoon.
Beter is om altijd deze drie vragen te stellen:
        • wie zegt (adviseert) wat?
        • waarom zegt hij dat?
        • en vooral: wat zegt hij níét?

Decennialang heb ik twee groepen boekhouders gezien:
        • zij die zelf elke factuur willen inboeken;
        • en zij die hun klanten alles laten inboeken.
De eerste groep verdedigde zich met: ‘anders moeten we te veel corrigeren en is het meer werk en dus duurder.
Hun businessmodel draait rond tijd: hoeveel facturen kunnen er per medewerker ingebracht worden?

De tweede groep stuurt bij, helpt met de aangiftes en verzorgt de eindejaarboekingen.
Hun groei steunt vooral op advies, waardoor ze meer klanten aankunnen.

Vooral de eerste groep maakt nu een grote bocht.
Hun businessmodel komt door het PEPPOL-verhaal onder druk te staan.
E-facturen zijn immers meteen digitaal beschikbaar en quasi automatisch geboekt. Hun inputwerk vermindert drastisch. Theoretisch zouden dan ook jouw kosten moeten dalen.

En daar zitten de listige: Ze verbergen het gemak en zoeken constant naar nieuwe inkomstenbronnen.

Zelfs meer, ze grijpen het PEPPOL-momentum om klanten met handen en voeten te binden.
Ze gaan in jou plaats abonnementen aan om bijv. de bankverrichtingen binnen te halen. Terwijl jij dit gratis kon.

Hun Clearfacts-, Billtobox- of Billit-portaal – ooit bedacht om PDF-bestanden te ontvangen – wordt nu gebruikt om nóg minder tijd te verliezen en de klant nog meer te binden.
M.a.w. ze hebben liever dat je niet meer in hun kantoor passeert en dat je netjes in de pas loopt van hun software-engagementen.

Zijn deze boekhouders lui? Nee.
Ze steken alvast zo weinig mogelijk zelf de handen uit de mouwen. Ze doen gewoon niets te veel.
Je herkent ze ook makkelijk als je jezelf hoort denken: “wat zou hij nu weer vergeten zijn?”.

Toch zegt elke handelaar over zijn boekhouder: “maar ’t is ne goeie, hoor”.
Alleen voegen ze er vaak meteen aan toe: “hij is juist een beetje aan de dure kant.

Ze doen niets dat niet aangerekend kan worden.
Niet-factureerbare uren? Worden vermeden.
In hun timesheet-programma registreren ze elke kleinigheid en dat verschijnt vrolijk op jouw kostennota.
Het eerlijk doorrekenen van kosten is vervangen door een puur commerciële aanpak.
Bij deze boekhouders is de ziel weg uit hun beroep.

Boekhouders die jou pushen naar hun software, horen quasi zeker bij die eerste groep. Ze zitten in een transitiefase.
Sommigen willen de transitie niet maken en laten zich liever overnemen.


Hoe dan ook, boekhouders en ‘hun’ automatisering staan niet op de eerste plaats. Boekhouding is het logische gevolg van het feit dat jij handel drijft.

Volg niet het advies om het zwak – al te vlug ingebakken – factuurprogrammaatje van het boekhoudersportaal te gebruiken.
Automatiseer vooral jouw eigen bedrijfsnoden!

Beter is om samen te werken met een boekhouder die jouw visie volgt. Jou motiveert en vrijheid geeft. Verwacht van hem wel een kritische reflectie op jouw visie. Laat hem waken over een goede gegevensuitwisseling. Pas dan kan hij de gevolgde koers volgen en dobber je niet zomaar op een woelige zee.

Als je als ondernemer jouw boekhouder nog maar één keer per jaar ziet – in functie van zijn businessmodel – dan zit er toch iets fout. Dan hoef je niet verbaasd te zijn dat je te laat bent om bij te sturen.
Betaal vooral voor het advies.

Ik gebruik nog een metafoor om het je goed duidelijk te maken:

De listige boekhouders stellen voor om taxichauffeur te zijn en figuurlijk met ‘jou rond te rijden’.
En taxichauffeurs spelen wel eens met het tellertje. 😉
Beter is om zelf het stuur goed vast te houden en zelf jouw weg te kiezen.

P.S.: Ben jij boekhouder en je voelt je in het nauw van dure, sterk reclame makende softwarebedrijven, waarvan we allemaal weten ‘dat er een reukje aan zit’, neem dan contact op.
Wij hebben een compleet aanbod.
… En waarvan Donald Muylle zou zeggen: “Echt Belgisch, tegen een heel sssccherpe prijs”.

Messenger-bericht zorgt voor nieuw vriendinnetje

Het was zaterdagnamiddag en de meeste klusjes waren achter de rug…
’t Was ofwel nog een nieuw werkje aanvatten of er even tussenuit.

Griet hoorde een melding van een nieuw Messenger-berichtje en meteen nam de nieuwsgierigheid de bovenhand.
Het was haar neef Johny die ons uitnodigde voor de nieuwe fototentoonstelling van zijn hand.

Nu moet ik zeggen dat Johny werkelijk mooie foto’s maakt, en zelf heb ik ook aandacht voor compositie, de gulden snede en het lijnenspel bij het nemen van foto’s. Kortom: ik was gewonnen voor Griets voorstel om meteen te gaan kijken.

Met de auto of met de fiets naar herberg De Knocke — dat was het punt van overleg dat volgde.
Volgens Google Maps was de kortste fietsafstand haalbaar. Wetende dat ik zonder hulpmotor fiets, vond ik het te doen. En als ik het zag zitten, dan zou het voor Griet ook wel lukken, want zij heeft knopjes aan het stuur, waardoor ze zich vooral op het sturen kan focussen.

Door de Broeken van de Handzamevallei, langs de heuvelkam van Klerken met uitzicht op het Heuvelland, de opduikende torens van Diksmuide boven de groene velden, de weidse weiden nabij de Blankaart, tot aan de Vauban-littekens van het 17de-eeuwse Fort de Knocke… Ik zag het zitten.
Temeer omdat ik de deugdelijkheid van het wegdek in de Handzamevallei wilde natrekken. Ik had me voorgenomen om bij het komende bezoek van Helga, mijn atletiekvriendinnetje uit Hasselt met haar en Marc door de Broeken te fietsen tot aan De Pluimen in Diksmuide.
We zouden dan gaan kijken naar een oefenmatch tussen KVDO Diksmuide en De Spor van Hasselt. Het gelijknamige televisieprogramma van Rik Verheye gaf een extra duwtje in de rug om te gaan kijken.

Helga Ponet en ikzelf namen, samen met andere sterke jeugdatleten, in 1980 deel aan de Fisec-spelen in Milaan.

Johny vroeg ons om bij hen aan het tafeltje te komen zitten vóór de herberg. De 16 km-rit deed me kiezen voor iets van 33 cl. Het werd een Export. Griet liet zich leiden door het reclamebord en koos voor een picon.

De positie van mijn zeteltje zorgde ervoor dat ik door de voordeur het interieur van de herberg kon zien. Een foto die de 16:9-verhouding oversteeg, trok mijn aandacht. Ik meende een logo op de truitjes van jeugdige dames te herkennen. Ik was onzeker, want op mijn leeftijd speelt de kijkafstand een rol.

“Johny, zullen we eens binnen gaan kijken naar jouw foto’s?” vroeg ik. Ook al was zijn Duvel nog halfvol, zei hij: “’t Is goed, ‘k zal een beetje uitleg geven.”

De foto met de jeugdige dames bekeek ik hoe dan ook eerst.

Ik vroeg meteen aan de dame des huizes: “Houtland op die truitjes, zeg eens…”
Connie antwoordde: “Ik heb gelopen bij Houtland, vandaar die foto. Ik ben de tweede van rechts.”
“En herken je het meisje uiterst rechts op de foto?” stelde ze meteen als tegenvraag.
Ik ging opnieuw kijken. “Hilde Crevits?” zei ik.
Onze minister uit Torhout was dus ook atlete geweest bij Houtland Atletiekclub. Dat wist ik niet.

Ik raakte aan de babbel met Connie, en het bleef maar duren. Johny had intussen de volledige expositie overlopen — ik moest nog beginnen.

Wat later legde Connie twee volle albums met atletiekherinneringen op het cafétafeltje vóór de toog. Andere horecagasten bleven stil… ze volgden de gesprekken tussen Connie en mij.
Ik ga ervan uit dat zelfs haar vaste cliënteel nog nooit had gehoord over Connies clubrecords op de 800 en 1500 meter.
Ik deelde de link waar ze de clubrecords kon verifiëren: https://www.houtlandatletiek.be/content/clubrecords

Ik vermeldde fier dat ik met 23″1, sedert 1978, nog steeds op het scorebord sta voor de 200 meter bij de kadetten. Mijn record werd tot op heden niet verbroken.

Connie en ik glunderden… Het is zo fijn om nog eens over de glorietijd van weleer te kunnen spreken.
Nostalgie troef.

Helga, ik heb er nóg een atletiekvriendinnetje bij.
Hebben jullie zin om eens mee naar herberg De Knocke te gaan, voor een picon?

Boekhoudkantoren, de nieuwe softwareverdelers!

Is het je ook al opgevallen dat jouw boekhoudkantoor je richting een bepaalde software duwt?

Daar mogen we gerust enkele kritische vragen bij stellen.

Heel wat boekhoudkantoren gaan gretig in op voorstellen van softwareleveranciers om hun pakket actief aan hun klanten aan te bevelen.

Niet toevallig: daar zit een verdienmodel achter.
Kantoren rekenen in die zin bijkomende en terugkerende “softwarekosten” aan via de maand- of kwartaalfactuur voor hun boekhouddiensten.

Klinkt dat logisch? Of wringt er iets?

Laten we het vergelijken met een andere situatie.

Stel: je neemt een abonnement op een gedrukte krant omdat je hun berichtgeving waardeert. Je houdt ervan om met een tas koffie door de papieren krant te bladeren. Maar omdat de papieren ruimte beperkt is, verschuift de uitgever een deel van de inhoud naar hun website of app. Efficiënt voor de uitgever, maar niet per se interessanter voor jou.

Zou jij bovenop je abonnement extra betalen voor reclamevrije berichtjes over koetjes en kalfjes? Waarschijnlijk niet. Jij verwacht in de eerste plaats kwaliteitsvolle berichtgeving, in het formaat dat jij koos.

Terug naar het boekhoudkantoor.
Om hun werk efficiënter te maken, vragen boekhouders jou om gegevens zelf aan te leveren via een portaal — een extra softwareschil bovenop hun boekhoudpakket. Dat portaal wordt geleverd door een extra leverancier en heeft een kostprijs. Die wordt netjes aan jou doorgerekend.
Maar wat krijg jij terug voor het werk dat je hen uit handen neemt?
Alvast geen goedkopere boekhouding.
En de “meerwaarde” van het portaal? Die bestaat vaak uit extra grafiekjes en statistieken waarvan je het meeste al wist, of waarvan je de betekenis amper begrijpt. Je betaalt dus vooral voor tools die hen tijd besparen — niet jou.

Via datzelfde portaal ontvangen boekhoudkantoren ook graag jouw e-facturen. In feite hangen ze dus jouw brievenbus aan hun kantoor. Ook dat past opnieuw in het kader van hún efficiëntie.
Je mist daarmee jouw aankoopfacturen die nodig zijn voor jouw eigen efficiëntie. Jij kunt bijvoorbeeld de voorraad aanpassen aan de hand van jouw ontvangen PEPPOL-facturen. Maar daar ligt de boekhouder niet wakker van.

Belangrijker nog: wie bewaart wat?
Boekhoudkantoren zijn, door het ontvangen van jouw e-facturen, een soort postbusbedrijf geworden — want jij voert bij het boekhoudkantoor geen economische activiteit uit. De wettelijke bewaarplicht van tien jaar rust wel op jouw schouders. Maar jij hebt de originele documenten niet meer in handen.

Sommige boekhouders gaan nóg een stap verder en bieden ook facturatiesoftware aan — soms zelfs gratis — via datzelfde portaal. De mogelijkheden van dergelijke software zijn alvast bedenkelijk. En wie helpt jou als er iets fout loopt?

Met software duiken er vroeg of laat problemen op. En dan verwacht je ondersteuning.
Loop het goed scheef… Op wie schuift jouw boekhouder dan de verantwoordelijkheid af? Je raadt het al: op de hoofd-softwareleverancier.
Jouw boekhouder is intussen – zoals in de bouwsector – een soort onderaannemer geworden.
Of zijn ze eerder een agentuur, een erkend (door)verkoper of een zaakbezorger geworden? Elk van deze handelsvormen heeft eigen juridische regels.

Kortom: wie structureel softwarekosten aanrekent, is geen zuivere dienstverlener meer, maar mede-softwareleverancier. En daar horen ook verantwoordelijkheden bij.

Wat begon als een aanleiding voor efficiëntie is voor veel kantoren een commerciële val geworden en bedrijven volgen blindelings — uit vertrouwen, of uit gemakzucht.
Softwareleveranciers profiteren.
En dat terwijl e-facturen op basis van gestandaardiseerde UBL-bestanden perfect gratis kunnen worden uitgewisseld en verwerkt. Alles is op elkaar afgestemd — maar dat hoor je zelden.

Nog niet duidelijk? Dan deze metafoor:
Jouw garagist opent dagelijks met moeite zijn zware schuifpoort om wagens binnen te laten. Hij beslist om een automatische poort te installeren. Begrijpelijk. Maar stel dat hij jou vraagt om die nieuwe poort mee te helpen betalen — want het bespaart hem tijd.
Zou jij dat logisch vinden?