Ik zag een geest en wist het niet!

Deze week trof ik in de brievenbus een zwaar pakket uit Nederland.
Met in het tegenadres Hans van Weenen en Castricum, een plaats in de provincie Noord-Holland, wist ik meteen wat de inhoud van het pakket zou zijn. Een boek.

Dat het boek zo mooi en zo dik zou zijn, was een verrassing.
Een lijvig werk van 408 pagina’s met de titel “De oorsprong van Castricum ontdekt – een landschapshistorische verkenning”. De subtitel is mijn dada.

Een tweede verrassing was een persoonlijke boodschap: “Met dank voor jouw adviezen die aan de wieg stonden van deze omvangrijke analyse”, gesigneerd “Hans van Weenen, 21/11/2024”.

Bij het doornemen van het boek werd ik voor een derde keer verrast. Zomaar liefst 12 keer werd verwezen naar mijn artikel ‘Landbouwbedrijven uit de vroege en volle Middeleeuwen in het westelijk deel van Binnen-Vlaanderen‘. Een studie die in het Jaarboek 2008 van Spaenhiers verscheen.

Het maakte me fier!

Mijn contact met Hans van Weenen gaat terug tot 7 juli 2013. Toen kreeg ik volgend e-mailbericht:

Subject: Vraag over percelering

Geachte heer Staelens,

Met grote belangstelling heb ik kennisgenomen van uw publicatie ‘Landbouwbedrijven uit de vroege en volle Middeleeuwen in het westelijk deel van Binnen-Vlaanderen. Onderzoek van de percelering in de omgeving van Koekelare.’

Mag ik u vragen om eens met uw geoefende oog te kijken naar de percelering in bijgaand detail van een kadastrale kaart uit 1822?

Ik zou graag mijn bevindingen bevestigd zien door uw onafhankelijke waarnemingen.

Bij voorbaat dank,

hoogachtend,

Dr. Hans van Weenen

Ik had tijd nodig om de kaart goed te kunnen observeren. Op 21 juli 2013, onze nationale feestdag, nam ik de tijd om Hans uitgebreid te antwoorden over mijn bevindingen.

Ter gelegenheid van de publicatie van zijn boek komt Hans hierop terug in de pers : “Tijdens mijn onderzoek kwam ik uit bij de amateurhistoricus Gerdi Staelens, die onderzoek had gedaan naar landbouwbedrijven in de Vroege Middeleeuwen in Vlaanderen. Hij ontdekte structuren in het landschap. Ik stuurde mijn kaarten van Castricum naar hem toe met de vraag of hij daar ook structuren in kon ontdekken. Hij verstrekte mij meer informatie waar ik mee verder kon en zo ontdekte ik die vijftien akkercomplexen…”. (webpaginaPDF)

Volgens mijn bevindingen gaf de kaart de indruk dat er zich een vroegmiddeleeuws landbouwbedrijf, een mansus van het oude type, had gesitueerd. Ik herkende diverse elementen die vergelijkbaar waren met wat ik in Koekelare en Bovekerke had gevonden: een centrale structuur – die in mijn situatie terugging tot een huisweide, erin een kern van de oorspronkelijke bewoning, errond akkerlanden.

Achteraf zou blijken dat ik een ‘geest” had gezien!
Geen spookachtig fenomeen, maar een in cultuur gebrachte strandwal.
Over een ‘geest’, in die betekenis van het woord, had ik nog nooit eerder iets vernomen.

Mijn bevindingen uit mijn antwoord, gecombineerd met mijn technische benadering in mijn oorspronkelijke studie, heeft Hans er toe aangezet om deze als een stappenplan te noteren en als leidraad te gebruiken om verder aan de slag te gaan.
Op 6 januari 2014 ontving ik hierover een bericht met als onderwerp “Methodiek Staelens”.

Beste Gerdi,

Ik wens u een gezond en voorspoedig 2014.

De afgelopen maand ben ik mijn onderzoek gaan toespitsen op de ontginnings- en landbouwactiviteiten in Castricum in de Vroege Middeleeuwen.
Daarbij concentreer ik me op de oude dorpskom en omgeving.

Om daarvan een zo duidelijk mogelijk beeld te verkrijgen, heb ik uw methode nog eens goed bekeken en beschreven in de vorm van een stappenplan.
Daarbij wordt er eerst vanuit een groter geheel gewerkt naar het niveau van het (kern)perceel om vervolgend het blikveld weer te vergroten, tot zelfs buiten het gebied dat in het onderzoek centraal staat.

Dat levert de volgende beschrijving op:

Methodiek Staelens

1. Uitgangspunt is een afgebakend bewoningsgebied: een villa, domein of parochie.
2. Daarbinnen buurten onderscheiden.
3. En daarbinnen gehuchten en nederzettingen.
4. De waterwegen en landwegen opsporen.
5. Perceellijnen reconstrueren.
6. Ontginningsassen en beekdalen bepalen.
7. Complexen van percelen vaststellen.
8. Blokpercelen opzoeken.
9. Randbegrenzingen zoals blokperceeltjes en houtwallen aangeven.
10. Kernen bestaande uit een (voormalige) woning en huisweide aanwijzen.
11. De ligging van mansi bepalen.
12. Eventuele nevenschikking van mansi nagaan.
13. Lokaliseren van de curtis.
14. Verbanden onderzoeken met nevengelegen villae.
15. Parallellen bepalen met andere villae.
16. Relatie onderzoeken tussen mansi en hun fysische geografie.
17. Idem, met veldnamen.
18. Idem met oudst bekende eigendom.
19. Oudste nederzettingen identificeren.
20. Concluderen over de chronologie van de ontginning en de veldinrichting.

Graag verneem ik uw correcties, commentaar en suggesties.

Bij voorbaat dank,

Hans

Zijn stappenplan leverde resultaat en Hans vermeldt dan ook op pagina 210: “De resultaten van dit onderzoek laten zo een geheel nieuw licht schijnen op Castricum in de Vroege Middeleeuwen: het was een complex van nederzettingen. Vooral het onderzoek dat Staelens deed naar de middeleeuwse landbouw in Vlaanderen bood hiervoor veel inspiratie (Staelens 2008), (Staelens 2020).”

Op de drie pagina’s die volgen komt Hans van Weenen tot gelijke bevindingen als wat ik in mijn studie aantrof: “Analoog aan de onderzoeksresultaten van Staelens in de plaats Koekelare in Vlaanderen, zou het centrum van Castricum mogelijk kunnen beschouwd worden als het centrum van de villa of het landbouwdomein”.

Hans van Weenen beschrijft in zijn boek nauwkeurig mijn vaststellingen:
“Staelens ging ervan uit dat eerst ontginningsassen op regelmatige afstanden werden bepaald over een ruim gebied en dat daarna ‘tussen’ de ontginningsassen tenures (mansi) werden ingericht”, “Staelens vond bij onderzoek van de percelering in Werken, nabij Bovekerke, in Vlaanderen twee recentere inpassingen van tenures op de plaatsen waar zich voordien een houtwal bevond…”.
Ook mijn reconstructiefiguur van ‘nieuwe’ tenures (mansi) van het oude type, werd als voorbeeld gebruikt op pagina’s 151 en 213.

Wat me vooral fier maakt is dat twee amateurhistorici er in slagen om vroegmiddeleeuwse landbouwsporen tastbaar te maken.

We gingen aan de slag met de gedetailleerde observatie van landkaarten.
De bevindingen werden getoetst aan het inzicht van anderen. In mijn geval o.a. van A. Verhulst en E. Thoen die met bronnen uit de archieven het referentiekader vormden.
Met een open vizier gingen we de bevindingen interpreteren en we stelden onderbouwde hypotheses op.
Dankzij het voortschrijdend inzicht kregen ‘mansi’ en ‘geesten’ vorm.

Zo is het ook gegaan in de kwantumfysica.
Ook met gedetailleerde observatie van de allerkleinste materie onder de elektronenmicroscoop gingen wetenschappers aan de slag, want bronnen waren er niet.
De bevindingen werden getoetst aan de stellingen van anderen als L. Boltzmann, M. Planck, A. Einstein, N. Bohr, E. Schrödinger, W. Heisenberg, P. Dirac…
Met wiskundige berekeningen werden hun hypotheses onderbouwd.
Dankzij het voortschrijdend inzicht werd de materie steeds verder ontrafeld en kregen qubits (quantum bits) betekenis.

Tijdens de voorstelling J’aime la vie van curator Wim Opbrouck op dinsdag 23 april 2024 in de Stadsschouwburg van Brugge, kaartte Hetty Helsmoortel dit aan. Deze voorstelling was het sluitstuk van de Westtoeravond voor beleidsmakers in het kader van het Toekomstfestival ‘Over Morgen’ in het Provinciaal Hof.

Hetty stelde vast dat wetenschappers de laatste 20 jaar te weinig met hypotheses naar voor komen om voer te geven voor andere wetenschappers. Hetty deed daarbij een oproep om meer te durven twijfelen.

Wetenschapster Hetty Helsmoortel is uiterst rechts op de foto te zien. (23 april 2024).

Ik treed haar bij.
In onze discipline zijn er te veel grootmeesters die zich louter concentreren op geschreven bronnen en vaak eerder onderzoek anders neerpennen.
Ze zullen zich dan niet verbranden en ze kunnen er een hoog publicatietempo op nahouden.
Dat ze dan geen grenzen verleggen spreekt voor zich.

We hebben nood aan hypotheses om verder te geraken.

Ter verantwoording grijp ik terug naar de kwantumfysica.
In de kwantumwereld is een deeltje een beetje zoals een dansende schaduw: als je kijkt waar het is, weet je niet precies hoe het beweegt. En als je wil weten hoe het beweegt, moet je kijken waar het allemaal geweest is. Je kan nooit alles tegelijk precies zien.

Dan vallen we terug op proxyinformatie.
Proxyinformatie is informatie die je niet rechtstreeks meet of waarneemt, maar die je gebruikt als indirecte aanwijzing voor iets anders. Het is zoals de rook die je ziet om te weten dat er vuur is — je ziet het vuur zelf niet , maar je leidt het af uit wat je wél kunt waarnemen.

Deze methode gebruikte ik met succes in een artikel waarbij er naar aanleiding van 900 jaar Bovekerke werd gezocht naar de familie van Bovekerke, hun afkomst en hun erfelijk ambt.
Laat dit dan maar hypotheses zijn… maar we geraken ermee vooruit.

Ik deed er 9 jaar over om mijn studie tot een afgerond geheel te maken.
Hans van Weenen werkte minstens nog een jaar langer aan zijn studie. Voor de lange periode had Hans trouwens nog een leuke bedenking (8/6/2018): “Ik heb ervaren dat het speur- en schrijfwerk veel lijkt op het rijpingsproces van Hollandse kaas. Uiteindelijk komt de rijpingstijd tot uitdrukking in de smaak van het eindproduct…”.

Hans, we gaven elk apart een nieuwe kijk op de vroege middeleeuwen.
Sluitende bewijzen leveren is quasi onmogelijk.
Maar wie spreekt ons tegen?

Hans, proficiat!
Je leverde een topprestatie!

Love for all

Het is al enkele jaren dat ik voorliefde heb voor duiven. Ik droomde ervan om kerels van het eerder corpulentere type in mijn tuin te zien rondhangen.

Van een opmerkzame vriend, die ooit mijn verlangens hoorde, kreeg ik mijn eerste koppeltje duiven cadeau. Zelfs een mooie duiventil in geïmpregneerd hout met drie openingen behoorde tot mijn verjaardagsgeschenk.

Het hokje werd op 17 maart 2017 de eerste residentie voor een koppeltje bruine carneaus.

Sindsdien is de blik van Griet en mezelf vanaf de keukentafel steeds gericht naar het duivenhokje dat boven een border uitsteekt.

Mijn allereerste carneau-duivenjong toonde ik trots aan mijn kleindochter Ella-Marie (foto 3 juni 2017).

Die carneaus bleven niet in mijn tuin rondhangen. De nabije kerktoren vonden ze een betere locatie en finaal verdwenen ze definitief.

Een jaar later kocht ik in ’t Kakelend Kippenmuseum een koppeltje bruine strassers. Ook die bleven niet.

Mijn strasser bewondert zijn eitje (foto 24 februari 2019).

Na wat leeswerk op een website over Gentse kroppers kon ik achterhalen dat deze duivensoort aangewezen is om als huisduif te houden. Ze zijn mensvriendelijk en tam.

In ’t Kakelend Kippenmuseum kon ik een koppeltje zwartroeken kopen. Deze Gentse kroppers hebben een intensief zwarte kleur en in hun hals een groene metaalglans. Ik kon lezen dat dit ras zeldzaam is.

Griet vond de zwartroeken minder mooi, enerzijds omdat we ze amper konden zien zitten en anderzijds omdat ze van ver op kauwen leken. Maar het argument omdat ze vooral voorkeur hadden om op onze veranda te zitten en er sporen achter te laten, mag niet onderschat worden.

Voor mij was het anders. Ik had er snel een band mee opgebouwd. Als ik ’s middags thuiskwam herkenden ze mijn auto en dan wisten ze dat ze meteen eten zouden krijgen. À la minute vlogen ze dan naar hun hokje. Bij het voederen bleven ze dicht bij me zitten en er was steevast een kort praatje. Ik ervaarde ze als heel lieve dieren.

Soms vlogen ze tot op het pleintje voor mijn woning en dat was net iets te ver volgens wat ik toeliet. Ik wandelde dan tot achter hen om ze terug te drijven. Ze slufferden dan op hun bevederde pootjes heel traag terug, misschien als protest omdat mijn tussenkomst niet naar hun zin was.

De zwartroeken tijdens hun wenperiode (foto: 2 augustus 2023).

M’n gevleugelde vriendjes werden ziek en hadden op den duur de kracht niet meer om ’s avonds in hun hokje te geraken. Ik nam ze dan maar en plaatste ze in hun hokje waar ze de nacht veilig konden doorbrengen. Het koppeltje overleefde de vogelgriep niet.

De voorliefde voor Gentse kroppers was vanaf dat koppeltje een feit.

Een nieuw koppeltje Gentse kroppers vinden was niet evident. In ’t Kakelend Kippenmuseum werd aangeraden om te wachten tot een nieuw broedsel en dan zou het nog hopen zijn op succes… maar keer op keer lukte dat niet.

Ik verlegde mijn terrein om nieuwe Gentse kroppers te kunnen vinden en die vond ik bij Thomas.

Het paar moest gebruikelijk nog wennen aan elkaar en de omgeving. Tijdens de wenperiode bleef één kropper voortdurend dominant en eiste het hokje exclusief op. Voor de andere zat er niets anders op dan nederig te zijn en buiten te blijven. Het koppeltje was niet verzoenbaar…

De dominante doffer (links) en de nederige Gentse kroppers (rechts) (foto 4 oktober 2024).

Thomas was zo vriendelijk om de vechtersbazen om te ruilen. Uiteindelijk bleken het twee doffers te zijn.

Om te vermijden dat ik terug een stel ruziemakers zou hebben, bezorgde hij mij een koppel verliefde duiven.

De doffer in het hokje, de duivin pronkt (foto 26 oktober 2024).

De doffer van het nieuwe stel was volgens mijn prilste analyse een mismarked dominicaan zwart. De duivin was op de hals en staart na, quasi volledig wit. De jongen zouden volgens Thomas verhemelstaarten kunnen zijn.

Griet vond dat ik nog nooit eerder zo’n mooie duiven had.

Ik wilde méér en méér weten over die Gentse kroppers en mijn vrije tijd werd gevuld met leeswerk.

Na de wenperiode aan de omgeving konden ze vrij.
Ze deden eerst wat fitnessoefeningen voor de vleugels en daarna trokken ze de volledige dag uit om alle uiterste kanten van mijn tuin te ontdekken. Eigenlijk waren het louter de plaatsen die ze gedurende 14 dagen vanuit hun hokje konden zien. ’s Avonds trokken ze spontaan terug naar hun hokje.

Ik had een volle dag plezier met de observatie van mijn nieuwe vrienden.

De fitnessoefeningen voor de eerste vlucht in Bovekerke (foto 10 november 2024).
Het prachtkoppel Gentse kroppers (foto’s 26 november 2024).

De dagen nadien kwamen de Gentse kroppers tot aan mijn achterdeur. Precies om een goede dag te zeggen. Ik zette me dan maar gehurkt bij hen. Hadden ze gekund, dan glimlachten ze naar mij.

Dat Gentse kroppers goed kunnen vliegen, mocht ik met dit koppel méér dan ooit ervaren. Hun actieradius werd met de dag groter. Zo zijn ze in het leefgebied van een roofvogel terecht gekomen.

Ik heb er niet zo lang plezier aan gehad, want het noodlot sloeg toe.

Vermoedelijk was het een sperwer, mogelijk een buizerd, die zijn maag vulde met mijn doffer.

Plaats delict (foto 27 december 2024).

De treurende duivin kreeg al snel een nieuwe fladdergast rond haar. Geen Gentse kropper, maar een gewone witte duif die ooit na een huwelijksviering bij het kerkportaal was losgelaten.

Alhoewel ik deze duif, die ik tot de vedergewichtklasse zou toekennen, geen kans gaf, deed hij extra inspanningen om zijn krop groot te maken en zo indruk te maken op de weduwe. Je moet natuurlijk iets doen als je geen pluimpjes aan je poten hebt, dacht ik. In elk geval lukte het de playboy om mijn vrouwelijke Gentse kropper te versieren.

Een mogelijke andere verklaring voor de vonk die oversprong is dat een witte duif een symbool is voor rouw en verlies. Dat wist ik niet eerder, maar volgens https://www.bronzenbeeldenwinkel.nl/ wordt een witte duif vaak beschouwd als een teken van hoop en de spirituele aanwezigheid van geliefden die zijn overleden. Witte duiven zorgen voor troost bij degenen die rouwen. Dat die sloeber dat mogelijk als list zou gebruikt hebben, gaat mijn petje te boven.

Hoe dat hij het voor elkaar gekregen heeft, zal altijd een raadsel blijven. Maar feit is dat hij het hart gestolen had van mijn vrouwelijke Gentse kropper.

Ik heb die liefde verhinderd, sorry, omdat ik wilde dat er op termijn zuivere soortgenootjes op de wereld zouden gezet worden.

Thomas heeft me een nieuwe Gentse kopper bezorgd. Een doffer om u tegen te zeggen. In een bokswedstrijd zou die tot de zwaargewichten behoren.

De nieuwe zwaargewicht doffer (foto 22 februari 2025).

Ik probeer dus een nieuw koppeltje te vormen door ze even in afzondering te steken.

Maar die allochtone duif geeft zich niet zomaar gewonnen. Hij komt elke dag mijn Gentse duivin stalken.
Ik noem hem daarom Stalkie.

Stalkie in de omgeving van zijn geliefde (22 februari 2025).

Stalkie ging zelfs al een stapje verder en bracht meerdere collega’s mee om te protesteren.

Stalkie trommelt collega’s op om te protesteren (foto 23 februari 2025).

Hun boodschap is duidelijk, maar ik laat mij ook niet doen.



Aanvulling op 3 maart 2025:

Iedereen verdient weleens een beetje verlof, en Stalkie is geen uitzondering.
Voor zijn gemak (en mijn gemoedsrust) heb ik hem netjes afgezet bij het Office du Tourisme in Bray-Dune. Hopelijk vindt hij daar zijn ultieme vakantiesfeer!

Stakie tijdens de krokusvakantie op reis in Bray-Dune, Frankrijk (foto 2 maart 2025).
Office du Tourisme in Bray-Dune… ideaal als vertrekpunt voor vakantie (foto 2 maart 2025).
Stalkie maakt de eerste observaties van de vakantiebestemming (foto 2 maart 2025).

De toekomst is voorspelbaar: een klare kijk op de Peppol-hysterie

In de aanloop naar de jaarwisseling van 2024/2025 werden we overspoeld met radioreclames en Facebook-advertenties over elektronische facturatie.
Plots claimt iedereen – van nieuwe softwarebedrijven, over sociale secretariaten tot zelfs banken – dé beste aanbieder voor facturatieprogramma’s te zijn. Opportunisme viert hoogtij.

Nu de luidste toeters zijn verstild en de hectische sfeer wat is afgenomen, lijkt het me aangewezen om de materie even vanuit een ander oogpunt te belichten.

Ik zal mijn ervaring met jou delen door je mee te nemen langs enkele toepasselijke momenten van mijn beroepsloopbaan. Mijn kleine geschiedenis zal jou hierdoor een duidelijk inzicht geven in het spel dat vandaag wordt gespeeld.

Door het lezen van mijn kritische reflectie, krijg je een betere kijk en hoef je niet bang te zijn voor het onbekende en kan je valkuilen vermijden.

Mijn verhaal in de wereld van administratieve software begon al vrij vroeg, in de tijd van Windows 2.0. Toen, in september 1987, konden de vensters in Windows voor het eerst worden verplaatst. Samen met Jan Vandenbosch zagen we meteen mogelijkheden om een facturatiesoftware voor Windows te bouwen. Ik startte een éénmanszaak, die later uitgroeide tot Winking bv.

In 1991 presenteerden we ons eerste resultaat op Bureau ‘91, een informaticabeurs in de Heizelpaleizen in Brussel. Daar trok onze facturatiesoftware de aandacht van Microsoft België, in het bijzonder van dhr. Paul Faes. Microsoft was op zoek naar een early adopter om de meerwaarde van Windows voor bedrijfstoepassingen te demonstreren. Wij waren precies wat ze nodig hadden.

Winkin’ als trendsetter

Microsoft ondersteunde ons enorm – niet financieel, maar door ons zichtbaarheid te geven en een waardevol netwerk van relaties aan te reiken.

Samen met Microsoft organiseerden we een productpresentatie in Domein Vossenberg in Hooglede. Dankzij hun steun kregen we maar liefst 13 journalisten op de persconferentie. ’s Avonds volgde een presentatie voor klanten en geïnteresseerden.

Door die mediabelangstelling kwam het Winkin’-programma onder de aandacht van een computerhandelaar uit Meise. Hij zag potentieel en vroeg of hij onze software mocht bundelen met zijn computers. Als sterke marketeer wist hij precies hoe hij dit moest aanpakken. Tussen 1993 en 1994 verdeelde hij 20.000 exemplaren van ons Winkin’-pakket. Hiervan werden zo’n 13.000 pakketten geregistreerd en werden 1.500 extra uitgebreide versies verkocht.

Onze groei ging razendsnel – misschien zelfs té snel. Deze intense periode zorgde ervoor dat onze software bekend raakte bij bedrijven, van Adinkerke tot Sankt-Vith.

Waarom haal ik dit aan? Niet om op te scheppen, maar om te benadrukken dat we ons sindsdien als productbedrijf hebben gepositioneerd. We ontwikkelen geen maatwerksoftware voor allerlei losse projecten, maar bouwen sindsdien doelgerichte en schaalbare oplossingen.

De eerste elektronische transacties

Met ons facturatiepakket werd ik destijds geconfronteerd met de behoefte om de verkoopfacturen van een bedrijf door te geven aan een boekhoudkantoor.

Door steeds bezig te zijn met de nieuwste ontwikkelingen in de IT-sector, kwam ik rond het jaar 2000 in contact met baanbrekende innovaties van andere bedrijven. Zo leverde het Brugse bedrijf Tectrade toen oplossingen om elektronische transacties tussen softwarepakketten mogelijk te maken. Het uitwisselen van gegevens via diskettes en USB-sticks was voorbijgestreefd, terwijl internet snellere en efficiëntere communicatie mogelijk maakte.

Bedrijven ondervonden immers dat het exporteren van documenten, om die vervolgens door een ander bedrijf te laten importeren, vaak problematisch verliep. Dat was de uitdaging van Tectrade.

Denk in dit kader aan het uitwisselen van facturen tussen een onderneming en een boekhoudkantoor. Er waren altijd boekhoudkundige of technische discrepanties tussen de softwarepakketten. Tevens konden beide partijen niet onafhankelijk van elkaar doorwerken.  Het Brugse bedrijf ging de uitdaging aan om documenten tussen verschillende softwarepakketten uit te wisselen.

Daarnaast wilden bedrijven af van een opgedrongen verzoek om met hetzelfde boekhoudpakket als hun boekhouder te werken. De focus van bedrijfssoftware verschilt immers sterk van die van boekhoudpakketten. Toch waren het vaak de boekhoudkantoren die de automatisering naar hun hand zetten, vooral om de complexiteit van het importeren en exporteren van facturen te vermijden.

Voor de techneuten onder ons: zelfs het werken met een ASP-model (Application Service Provider), waarbij een boekhouder zijn software deelde met zijn klant (vergelijk het met het delen van een computerscherm via TeamViewer), bood geen echte oplossing. Bedrijven wilden en konden niet op deze manier werken. De behoeften van bedrijven en boekhoudkantoren zijn nu eenmaal fundamenteel verschillend. (lees hierover het artikel ‘Van boekhoudpakket naar e-business’)

Belgian Accounting Software Association (BASA)

In die periode werden er jaarlijks gespecialiseerde vakbeurzen georganiseerd voor boekhoudkantoren en bedrijven die op zoek waren naar boekhoudoplossingen. Er werden terwijl boekhoudkundige thema’s belicht en bezoekers konden hierover lezingen bijwonen.

Tijdens zo’n lezingen was het vaak rustig op onze standen, waardoor de softwareproducenten onderling in gesprek raakten. Hieruit groeide het idee om elkaar meer te ontmoeten voor overleg.

De belangrijkste onafhankelijke softwareproducenten (ISV’s) op de Belgische markt richtten toen een belangenvereniging op onder de naam Belgian Accounting Software Association (BASA). Leden waren onder andere de makers van toonaangevende softwarepakketten zoals: Ciel (Sage), Cubic, Exact, Expert/M (Jean Werts), ProAcc (Solid Data), Unit 4, Venice (C-Logic) en wij Winking.

Hoewel het voorzitterschap rouleerde, was ik uiteindelijk met Winking het langst voorzitter.

 📌 De geschiedenis herhaalt zich…

Naarmate steeds meer BASA-leden werden overgenomen door multinationals, groeide de onderlinge concurrentie. In deze veranderende context bleek het voorzitterschap beter te passen bij een onafhankelijke speler zoals Winking.
In die tijd heb ik, door goed te luisteren naar de grote spelers, veel geleerd… maar niet alles was even fraai. De bedrijfsethiek liet soms te wensen over. Ik hoorde:

  • “Hoe krijg ik het geld van een klant zo snel mogelijk in mijn zakken?”
  • “Wij verkopen volgens de 3 FFF’s: Find them, Fuck them & Forget them.”

Deze mentaliteit stond haaks op hoe ik zaken wilde doen, maar het was een harde les in de realiteit van de markt.

Met BASA stelden we de criteria op voor een kwaliteitslabel voor boekhoudpakketten en stonden we mee aan de wieg van de wetgeving rond elektronische facturatie. Daarnaast werkten we aan een interoperabiliteitsstandaard om de uitwisseling van informatie tussen boekhoudpakketten te verbeteren.

Door frequent overleg met het toenmalige Instituut van de Accountants en Belastingconsulenten (IAB) en de Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit (AOIF) van FOD Financiën, kregen onze softwarepakketten het label van kwalitatief en wettelijk conform.

Ik herinner me ook de vergaderingen over de elektronische facturatie met regeringscommissaris Alain Zenner, het consultingbedrijf PricewaterhouseCoopers (PwC) en enkele van onze leden. Duistere krachten wilden certificaten koppelen aan elektronische facturen — een strategie waarmee ze vooral financieel gewin nastreefden. Als voorzitter van BASA heb ik me hier altijd tegen verzet.

Ironisch genoeg leidde het op punt stellen van een interoperabiliteitsstandaard tot het einde van BASA. Toen leden beseften dat deze standaard het mogelijk maakte om gegevens moeiteloos van elkaar over te nemen — en daarmee elkaars klanten af te snoepen — viel de samenwerking stil.

📌 De geschiedenis herhaalt zich…

Vandaag voldoen de elektronische facturen eveneens aan een soort interoperabiliteitsstandaard, ze zijn opgebouwd in dezelfde taal: Universal Business Language (UBL). Ze kunnen bijgevolg door elk boekhoudpakket ingelezen worden. De zorg van jouw boekhouder is dus weggevallen. Hij kan altijd jouw verkoop- en aankoopfacturen opnemen. Hij kan ze inlezen en verwerken.
Misschien lag BASA mee aan de basis van huidige ontwikkeling.

Een pioniersproject in Brugge

Rond het jaar 2000 kwam ik dus in contact met Tectrade uit Brugge dat pionierswerk verrichtte op het vlak van elektronische transacties. Zij ontwikkelden een platform waarmee bestellingen en facturen op elektronische wijze uitgewisseld konden worden. Met een stevig serverpark ertussen werden verschillende systemen aan elkaar gekoppeld.

In 1999 had Omega Pharma van Marc Coucke zo’n 40 miljoen BEF voor 20% van de aandelen in dit Brugse bedrijf geïnvesteerd. Nadien volgde nog een tweede kapitaalsronde. Jaren later werd deze periode bekend als de internetbubbel. Tectrade bracht het niet tot een goed einde. Zonder korte termijn rendabiliteit is er geen lange termijn.

📌 De geschiedenis herhaalt zich…

Vandaag wordt de koppeling tussen verschillende systemen niet meer door meerdere lokale spelers gerealiseerd, maar door een Europees netwerk, het Pan-European Public Procurement Online (PEPPOL). Lokale spelers staan nu in voor de connectie. Ze staan als het ware in voor het leggen van een oprit voor de autosnelweg.
ICT-bedrijven rekenen ook vandaag nog op de kans om later hun winst te maken. Vaak komt men niet tot punt en faalt men eerder.

Consolidatiegolf in de softwarewereld

Tussen 1999 en 2001 was er een sterke consolidatiegolf in de softwaresector. Bedrijven wilden groeien en profiteren van de invoering van de euro. Vooral Nederlandse multinationals zoals Exact, Wolters-Kluwer en Unit 4 richtten zich op de Belgische markt en namen onafhankelijke Belgische softwarebedrijven over.

Door de beperkte afzetmarkt, begrensd door landsgrenzen en de lokale wetgeving, was een overnamestrategie de enige manier om hun klantenbestand snel te vergroten.

📌 De geschiedenis herhaalt zich…

Vandaag zien we een nieuwe overnamegolf, met elektronische facturatie als opportuniteit:

  • In juli 2024 nam het Nederlandse Wolters-Kluwer de accountancyportefeuille van de Belgische Isabel Group over, inclusief Codabox, Clearfacts en Zoomit.
  • Eerder kocht het Noorse Visma (bekend van de wielerploeg Jumbo-Visma) in 2022 het Belgische Teamleader op.
  • In 2021 was het de beurt aan Syneton.
  • Ook Yuki, oorspronkelijk Nederlands, maar actief op de Belgische markt, werd door Visma overgenomen.
  • Teamleader nam Dexxter over in November 2024.

De consolidatie blijft doorgaan. Wie volgt?

Een portaal rond een boekhoudpakket

Gaandeweg kwamen oplossingen op de markt om scans van papierenfacturen deels te ontrafelen en om deze zoveel als mogelijk automatisch te boeken. Mits wat correcties kon het boekingswerk in een accountantskantoor hierdoor worden verminderd.

Ook de behoefte om documenten via het internet bij het boekhoudkantoor te krijgen bleef bestaan. Toen in 2013 de elektronische factuur (vooral als PDF) werd gelijkgesteld aan de papierenfactuur boden zich nieuwe mogelijkheden aan. PDF-bestanden konden door bedrijven via e-mail worden verstuurd naar hun boekhoudkantoor.

De scan-software in het boekhoudkantoor kreeg de vorm van een internetportaal. Bedrijven zouden nu zelf hun PDF-bestanden kopiëren en plakken of slepen tot op een website van de boekhouder.

De portaalfunctie zorgde meteen dat de makers van dergelijke software een businessmodel legden rond een boekhoudkantoor, immers enkel zo’n kantoren hebben daar behoefte aan. Resultaat: de klanten van het boekhoudkantoor helpen meebetalen om de dure kosten van het kantoor te dragen en feitelijk ook om het werk van het boekhoudkantoor te helpen verlichten.

📌 De geschiedenis herhaalt zich…

Vanaf 1 januari 2026 worden veel van de achterliggende taken van de dergelijk software onnodig. Immers alle gegevens van een factuur zijn aanwezig in een digitale vorm. Alhoewel het werk voor boekhoudkantoren eenvoudiger zal worden, zal je beslist blijven betalen…

Voor wat? Je zult blijven betalen voor de portaalfunctie:

‘Overzicht’ is wat je als ondernemer permanent nodig hebt. Niet op het einde van een kwartaal, maar continue.
Laat dit nu net de taak zijn van de software dat je in jouw eigen bedrijf broodnodig hebt!
Zonder eigen software blijf je werk doen voor iemand anders en blijf je op de feiten achter hollen!


Ik heb de lange weg waarbij er technische en organisatorische stappen werden gezet van dichtbij kunnen volgen.
Alle stappen die in het verleden werden gezet waren pogingen voor technische optimalisatie voor het uitwisselen van documenten.
Vandaag is aan het geheel een nieuwe dimensie gegeven… M.n. een controle faciliteit waarmee fraude kan vermeden worden.
Wat er in de toekomst op ons af komt is voorspelbaar want de geschiedenis herhaalt zich

Wat is er identiek t.o.v. het verleden?

Algemeen:

  • Er zijn veel softwarebedrijven voor een kleine markt. Voor jonge softwarebedrijven zonder voldoende grote klantenportefeuille zijn de overlevingskansen gering.
  • Multinationals werken om hun aandeelhouders gelukkig te maken. Onvoldoende prestaties zorgt voor verloop van managers en medewerkers.
    Zelfstandige ondernemers zetten hun klanten op de eerste plaats. Klanten ervaren een trouwe kring van medewerkers of vaste contactpersonen.

Gelijkenissen met de euro-periode:

  • Opportunisme laat nieuwe softwarebedrijven ontstaan.
  • Marktaandeel wordt tijdelijk gewonnen met goedkope prijzen.
  • Grote softwarebedrijven zullen kleinere overnemen. De klant dient naderhand om te schakelen naar het softwarepakket van de overnemer.

Nieuw t.o.v. vroeger:

  • De problematiek van import en export van documenten is niet meer aan de orde, want de documenten hebben nu een identiek UBL-formaat.
    Dus het doorgegeven van jouw documenten aan het boekhoudkantoor kan sowieso en is geen criterium meer voor discussie.

Aan jou om na te denken:

  • Wil je software kopen in vertrouwen;
  • Een persoonlijk contact;
  • Niet in het gareel lopen van een multinational;
  • Zelf het overzicht behouden op jouw bedrijf;
  • Het meest complete aanbod in zijn prijsklasse…

… dan ga ik de advertentie van WC-Eend uit de jaren 1980 achterna:
Wij van Winking, adviseren Winking Software

Ziekenhuis Maastricht met Koekelaarse software

Het projectteam voor Print&Share van Ricoh Nederland en MUMC+ (foto Winking 17/02/2025).

Trots om bij het Maastricht Universitair Medisch Centrum+ (MUMC+) de eerste installatiedag voor de vervanging van het printerpark mee te maken.

In dit project speelt Print&Share een cruciale rol.
Onze software stelt het medisch personeel (10.000 Active Directory-gebruikers) in staat om eenvoudig het juiste briefhoofd te selecteren uit de voor hen beschikbare opties.

Het dynamische karakter van Print&Share maakt het beheer uiterst eenvoudig voor de systeembeheerders. Elke wijziging wordt automatisch doorgevoerd en is direct beschikbaar op de werkvloer.

Dankzij Print&Share kon Ricoh Nederland een unieke oplossing bieden die de specifieke vereisten van het ziekenhuis nog overtrof.

Wij feliciteren Ricoh Nederland met dit succesvolle project!

Over het heilig putje en de aquamanile

Scrollen op X kan soms onverwachte kennis opleveren. Zo kwam ik via @Vuurdistel, die beroepsmatig actief blijkt te zijn in de erfgoedsector, een interessant draadje tegen over een ‘Heilig Putje’. De twitteraar wist me te boeien en nodigde in haar laatste bericht de lezers die weleens een kerk bezoeken uit om zelf op zoek te gaan naar zo’n ‘Heilig Putje’. Tijdens de voorbereiding van Open Monumentendag 2024, waarbij de recent gerestaureerde kerk van Bovekerke centraal stond, besloot ik de uitdaging aan te nemen en ging ik op zoek naar het ‘Heilig Putje’. Met succes!

Een ‘Heilig Putje’, in het Latijn ‘piscina’, is een nis in het koor rechts van het altaar of in de sacristie van de kerk. In oudere kerken, die aanvankelijk nog geen sacristie hadden, vind je soms zelfs dubbele nissen.

Een belangrijk kenmerk van het ‘Heilig Putje’ is dat het zich altijd tegen een buitenmuur bevindt en een licht uitgeholde onderzijde heeft, waarin een gaatje zit waardoor water via een gootje op de gewijde grond van het kerkhof kan wegvloeien.

Dit was van belang omdat volgens de oude riten niets dat in aanraking was gekomen met ‘het lichaam en bloed van Christus’, zoals water van de handwassing, hosties en miswijn, zomaar mocht worden weggegooid. Deze vloeistoffen moesten altijd op ‘gewijde grond’ terechtkomen.

Gevallen hosties werden bijvoorbeeld verkruimeld en in wijwater opgelost, vliegen of spinnen die in de miswijn waren gevallen, werden boven de piscina verbrand, en vlekken van miswijn werden uit het textiel geknipt en eveneens verbrand. Al deze zaken werden vervolgens door het ‘Heilig Putje’ weggespoeld.

Bovenin de piscina bevindt zich vaak een ijzeren haak, waaraan de zogenaamde ‘lavabo’ hing, gevuld met wijwater. Dit was meestal een koperen keteltje met twee S-vormige tuiten. Uit de ene tuit stroomde wijwater om alles wat met het sacrament te maken had te reinigen, en uit de andere stroomde gewoon water dat op ongewijde grond terecht mocht komen.

In de tweede helft van de 16de eeuw kregen kerken vaak een sacristie en veranderden enkele rituelen, maar de handwassing bleef belangrijk. Daarom werden sacristieën vanaf die tijd uitgerust met een ‘aquamanile’ met een afvoer naar gewijde grond.

In de kerk van Bovekerke vond ik, achter een deurtje met daarboven het opschrift Ante Post (voor, na), een wit aardewerken aquamanile. Die bestaat uit een klein reservoir voor water, voorzien van een kraantje, met eronder een zeepschaaltje en een opvangbakje voor het water. Het was duidelijk bedoeld om de handen te wassen.

In het opvangbakje vond ik ook twee kannetjes van moderner aardewerk. Het gebruik van twee kannetjes kennen we van de offerande tijdens de eucharistieviering, waarbij de priester een kannetje wijn gebruikt en een beetje water in de kelk giet. Dit ritueel symboliseert de vereniging van de goddelijke en menselijke natuur van Christus: de wijn staat voor Christus’ goddelijke natuur, en het water voor zijn menselijke natuur.

Naarmate de tijd vorderde en er steeds meer liturgisch vaatwerk in gebruik kwam, werd de afwas omvangrijker en ging men op zoek naar praktischere oplossingen. Zo evolueerde de ‘lavabo’ naar iets wat wij nu ook goed kennen: een roestvrijstalen gootsteen.

Zover is het in Bovekerke echter nog niet gekomen. De aquamanile voldoet nog.


Dit artikel verscheen in de De Polderkrant Jaargang 7 – Nummer 1 van de Intergemeentelijke Onroerenderfgoeddienst Polderrand (IOED) waarin het accent lag op religieus erfgoed.

Dank aan Carola Van den Wijngaert (@vuurdistel – www.vuurdistel.be) voor de steeds weer boeiende X-onderwerpen. (bron voor dit artikel: @vuurdistel, X-post 29 maart 2023)

Mijn goed voornemen voor 2025: ‘kitesurfen’

Griet en ik zaten donderdagavond, 7 november 2024 te kijken naar “De Tafel van Gert’ op Play4. Professor Piet Hoebeke was te gast.
Hoebeke is uroloog en bracht net zoals de andere tafelspringers een onderwerp aan bod. Zijn onderwerp deed mijn hoofd draaien naar Griet, terwijl ik even moest slikken.

De Tafel van Gert – S5 – Aflevering 32 van donderdag 7 november 2024.

Hij had het over No Nut November. Dit is een jaarlijkse internetuitdaging waarbij mannen zich in de maand november dienen te onthouden van ejaculatie. Vergelijk het een beetje met Tournée Minérale om een maand lang geen alcohol te drinken.

No Nut November werd in 2011 met een satirische insteek gelanceerd terwijl Tournée Minérale met een gezondheidsreden door de Stichting tegen Kanker en De Druglijn wordt georganiseerd. 

De spelregels voor No Nut November op X, het voormalige Twitter.

Nu zijn sommigen de satire vergeten en beweren dat ‘No Nut’ (=geen ejaculatie) eveneens een betere gezondheid nastreeft. Die nonsens wilde professor Hoebeke aankaarten en hij beweerde zelfs dat het tegendeel waar is.

Professor Piet Hoebeke in De Tafel van Gert – S5 – Aflevering 32 van donderdag 7 november 2024.
(klik op de figuur om het fragment te beluisteren).

Hoebeke onderbouwde zijn stelling met een onderzoek dat door wetenschappers van de Harvard T.H. Chan School of Public Health werd uitgevoerd en in 2016 gepubliceerd in het tijdschrift European Urology.​​ ​​In deze studie werden 31.925 mannen gedurende 18 jaar gevolgd.​​ ​​De resultaten toonden aan dat mannen die gemiddeld 21 keer per maand ejaculeerden, een 31% lager risico hadden op prostaatkanker in vergelijking met mannen die 4 tot 7 keer per maand ejaculeerden.​​

Van kanker ben ik bang, zeker om prostaatkanker op te lopen. Prostaatkanker is immers de meest voorkomende kanker bij mannen en het risico neemt toe met de leeftijd.
Ik ben me er ook ten volle van bewust dat gezondheid niet vanzelf komt. Je moet er veel voor over hebben.

Ik had Hoebeke goed gehoord: ‘Gemiddeld’ eenentwintig keer…
Ik maakte me meteen de bedenking dat het dan wel eens minder mag zijn, maar simultaan kwam ook het besef dat je dan de volgende maand moet compenseren met een hogere score om het gemiddelde te behouden.
Ik veronderstel dat je nu begrijpt waarom ik even moest slikken, terwijl ik met een zekere wanhoop naar Griet keek.

Nu ben ik iemand met een behoorlijk druk leven. Organisatie en planning dringen zich dus op; anders komt het er niet van en is mijn gezondheid onderhevig aan wispelturigheid, dacht ik.

Het lag voor de hand om met Microsoft Excel de intervaltijd voor 21 beurten te berekenen en een lijstje op te stellen.
Het zou een goed voornemen worden voor 2025 en aangezien ik op nieuwjaarsdag toch graag een beetje wil uitslapen, werd het aanvangstijdtip op 8:00 uur bepaald. Daarmee had ik de twee parameters voor mijn berekening.

Januari 2025Februari 2025
1. 2025-01-01 08:00:00
2. 2025-01-02 19:25:42
3. 2025-01-04 06:51:25
4. 2025-01-05 18:17:08
5. 2025-01-07 05:42:51
6. 2025-01-08 17:08:34
7. 2025-01-10 04:34:17
8. 2025-01-11 16:00:00
9. 2025-01-13 03:25:42
10. 2025-01-14 14:51:25
11. 2025-01-16 02:17:08
12. 2025-01-17 13:42:51
13. 2025-01-19 01:08:34
14. 2025-01-20 12:34:17
15. 2025-01-22 00:00:00
16. 2025-01-23 11:25:42
17. 2025-01-24 22:51:25
18. 2025-01-26 10:17:08
19. 2025-01-27 21:42:51
20. 2025-01-29 09:08:34
21. 2025-01-30 20:34:17
1. 2025-02-01 08:00:00
2. 2025-02-02 16:00:00
3. 2025-02-04 00:00:00
4. 2025-02-05 08:00:00
5. 2025-02-06 16:00:00
6. 2025-02-08 00:00:00
7. 2025-02-09 08:00:00
8. 2025-02-10 16:00:00
9. 2025-02-12 00:00:00
10. 2025-02-13 08:00:00
11. 2025-02-14 16:00:00
12. 2025-02-16 00:00:00
13. 2025-02-17 08:00:00
14. 2025-02-18 16:00:00
15. 2025-02-20 00:00:00
16. 2025-02-21 08:00:00
17. 2025-02-22 16:00:00
18. 2025-02-24 00:00:00
19. 2025-02-25 08:00:00
20. 2025-02-26 16:00:00
21. 2025-02-28 00:00:00
De geoptimaliseerde tabel voor januari en februari 2025, met datum en tijdstip.

Sorry, maar de hoeveelheid tijdstippen doet me nu wel aan een mopje denken dat mijn schoonbroer me ooit vertelde. Bart vroeg me: “Gerdi, weet jij waarom sperma vloeibaar is?”. Ik kon niet direct een antwoord bedenken. Bart zei: “’t zou er anders nogal wat stuiven hé!”

Bij het bezien van de tabel begin ik een lichte twijfel te hebben over de haalbaarheid.
In het bijzonder voor de ochtenden vanaf 7 januari 2025. Ik ben nooit zo vroeg wakker en ik heb wat tijd nodig om ‘tot mezelf te komen’. 

Ik zie nog een ander probleem opduiken: het volhouden.

Om het te kunnen volhouden moet er volgens mij een stimulans zijn. Ik denk meteen aan Strava, de populaire app waarmee sporters hun prestaties bijhouden en met anderen delen in een sportief sociaalnetwerk. Door Kudos – de likes van Strava – te geven kunnen we elkaar motiveren om vol te houden.

Toch denk ik dat ik Strava niet zover zal krijgen om zo’n speciale ‘sport’ toe te voegen in de app, ook al is het om prostaatkanker te voorkomen.

Laat ons dan misschien afspreken dat we onze prestaties ingeven onder kitesurfen.
Waarom kitesurfen?
Met wind hebben we een raakvlak met opwindingen.
Je gaat ook van de grond en het is ook nat.

Aanvulling:

Stefan doet de test om te registreren.
De activiteit werd te vroeg onderbroken.

Mooi maakt gelukkig

Soms zeg ik al eens tegen een andere vrouw dat ze iets moois heeft. Ik ga je meteen geruststellen, ik doe dit alleen als mijn eigen vrouw erbij is.

Het is een soort spel van me om het met een enthousiaste blik te zeggen en dan te kijken wat de reactie is.

Ik zeg zoiets meestal in gezelschap in een restaurant en dan bij voorkeur net vóór de dame in kwestie me komt vragen of ze mijn wijnglas mag bijvullen.

Afgelopen week, tijdens de opening van Bistro Lange Max, zag ik terug een mogelijkheid. Tijdens de eerste bijvulronde van de wijn merkte ik dat de jongedame hele mooie kijkertjes had. De laatste zonnestraaltjes die van over de haag op het terras schenen, deden haar ogen extra fonkelen. Mijn glas was op tijd leeg vóór ze opnieuw zou komen bijvullen.
Ik zei haar: “Juffrouw, heeft er deze avond al iemand tegen jou gezegd dat jij hele mooie oogjes hebt?”. Ze beantwoordde de vraag niet, maar reageerde glimlachend en zelfbewust met “dank u”.
Ze leek niet verbaasd te zijn, misschien hoorde ze dat wel vaker van een of ander jeugdig liefje. In elk geval waren mijn tafelgenoten meer onder de indruk van mijn lieve woorden dan de jongedame.

Altijd spannend om de reacties te zien.

Enkele weken terug was mijn moeder 85 jaar geworden. We zaten in het restaurant met kinderen en kleinkinderen en nog twee dichte vrienden van oma aan de feesttafel. Een grote slanke dame bediende ons de wijn. Ze droeg een mooie, lange, rode jurk met witte bolletjes van zo’n 2 cm diameter. Het kleedje had geen mouwen zodat haar blote schouders en rug zichtbaar waren.
Zodra het glas van Kevin was bijgevuld kwam ik aan de beurt.

Ik vlug: “Mevrouw, heeft er vandaag al iemand gezegd dat je een mooi kleedje draagt?”. Zij, terwijl ze een korte beweging met de fles richting Joke maakte: “Als dat jouw dochter is, dan heeft ze het me ook al gezegd. Ik heb er zo drie gekocht, een blauw en – de andere kleur weet ik niet meer – omdat het zo’n gemakkelijk kleedje is”. Het complimentje deed haar duidelijk goed. “Nog een beetje wijn, meneer?”. Ik antwoordde bevestigend met “je mag nooit twijfelen aan me”. Ik hoopte na mijn complimentje dat mijn glas nu iets voller zou zijn, maar nee, het was even vol als dat van Kevin.

Op het einde van de laatste werkdag vóór het jaarlijks zomerverlof begint, trakteert Rudy zijn medewerkers. Ik mag dan ook aansluiten. De kroonkurken zie ik dan met een hoog tempo van de Jupilers vliegen. Dit jaar was het snikheet en we beslisten om wat vroeger het bedrijf te verlaten en met onze partners wat schaduw op te zoeken op het terras van Andy.

Stien bedient er ons al jaren en ze kan tegen een stootje. Ze kwam zoals gebruikelijk, vragen wat we zouden drinken. Stien had deze keer ook duidelijk last van de warmte en droeg een hele lichte, witte bloes. Misschien was het bloesje net één maatje te klein geworden. Toen ze van de trap kwam, wist ik meteen wat te zeggen… “Stien, jouw borstjes lijken wiebel-gelukkig…”. Vooral Stien was dolgelukkig met mijn sexy opmerking. Voordien noemde ze Stijn.

Als ik in mijn nopjes ben en ik merk niets speciaal, dan maak ik toch soms een dame gelukkig met een positieve noot over één of ander kettingetje ofzo.

Zeggen dat iets bij een dame mooi is, is leuk. Je moet misschien een klikje maken en het even durven, maar gewoon doen. Ik zou het iedereen aanraden.
Echt niet wachten tot complimentendag op 1 maart.

Griet vraagt het mij soms zelf.
Voor de spiegel van de kleerkast hoor je dan… “welk kleedje is het mooist? … dit of dat? Je moet niet weglopen, je hebt het andere nog niet gezien.”
Soms ook een vraag over wat The Clement Peerens Explosition in hun lied ‘Vindegij mijn G… (Spotify)‘ expliciet omschrijft. Nee, laat het ons zedig houden en louter verder gaan over welke kleedje het mooist is…
Ik speel dan vaak het spel en vernoem het andere kledingstuk dan dat waarnaar ze al lang naar staat te staren. Na de verwisseling zeg ik dan dat het feitelijk alle twee mooi zijn.
Dergelijk consultancy antwoord is dan ook niet goed.

Dan zegt ze me steevast dat ik er niets van ken…
… tot ik finaal zeg “met dat eerste was je toch het mooist.”

Over trillingen en rillingen

Je hebt zo van die gesprekken die aan de ribben blijven plakken. Dat overkwam me midden juli 2024.

Ik zat met Gert te lunchen, met wie ik – op 4 dagen na – 15 jaar eerder een overeenkomst ondertekende voor de distributie van mijn printerdriver software. Vier maanden later zou hij printerfabrikant Ricoh verlaten voor een andere uitdaging. In die korte tijd wisten we een band te smeden. We wisten van minuut één wat we aan elkaar hadden.
We zaten op dezelfde golflengte.

Het gesprek evolueerde van ‘den business’, over de uitdagingen in de toekomst tot management-weetjes. Dat laatste deed ons op de duur filosoferen.

Samen met Gert tijdens een lunch. Veurne 16/07/2024.

Het was niet alleen Gert die wel eens durft verder denken dan zijn neus lang is. Ik illustreerde met mijn uitgebreide lijst OneNote-notities.

Dezelfde avond nog mailde ik naar Gert om hem te bedanken. Niet alleen voor het fijne weerzien na al die jaren, maar ook voor het twee uur durend boeiend gesprek, dat op enkele bezoekjes van de kok na, een hoog niveau had.
In mijn e-mail nam ik ook een notitie op van een filosofische denkoefening die ik 2011 had gemaakt. Het was een summiere tekst met als titel ‘maatschappelijke trillingen’ die ik vanuit mijn OneNote kopieerde.

Ik ging ervan uit dat als Gert dezelfde avond nog mijn e-mail zou lezen en even zou denken over mijn toenmalige denkoefening, dat hij net als ik die avond niet direct in slaap zou vallen.
Mijn gesprek met Gert werd de aanzet om mijn beknopte notities meer uit te schrijven:

Ik vraag me al lang af of we aan de hand technologische kennis en wiskunde tot nieuwe inzichten zouden kunnen komen om ons lichaam en het leven beter te begrijpen…

Mijn algemeen uitgangspunt is de vaststelling dat er veel rondom ons met wiskunde kan beschreven worden.
Ik neem twee voorbeelden ter illustratie: de elektriciteitskabels die tussen twee palen hangen, kunnen volgens een hyperbolische cosinusfunctie worden beschreven en van sneeuwvlokjes weten we dat hun vorm een wiskundige fractal volgt.
Wiskunde lijkt me méér dan rekenen, maar ook een soort beschrijvende taal voor fysische vormen. Ook van voorwerpen die worden geworpen of vallen onder de invloed van de zwaartekracht is het geweten dat zij vaak de weg van een kwadratische vergelijkingen volgen.
Met wiskunde zijn we in staat om ook minder tastbare dingen als bewegingen te beschrijven.

Tijdens mijn opleiding ‘microprocessoren en teletechnieken’ waren elektromagnetische golven een onderwerp waaraan veel aandacht werd besteed.

Zo leerde ik destijds met wiskunde de vorm van een stralingsveld van een antenne te bepalen waarbij het aantal staafjes van de antenne en de afstand ertussen bepalend factoren waren. We berekenden ook tot hoever elektromagnetische golven zouden reiken.
Dankzij wiskunde kunnen we dus ook niet zichtbare vormen achterhalen. De golven an sich zijn al evenmin tastbaar maar toch met wiskunde te beschrijven.

Ik was al radioamateur vóór ik mijn hogere studies startte. Sindsdien boeien elektromagnetische golven me nog meer.

In de medische wetenschap is het gekend dat elk lichaamsdeel het vermogen heeft om elektromagnetische signalen uit te stralen, zij het in zeer beperkte mate. De sterkte van de signalen variëren per lichaamsdeel en hangen af van verschillende factoren zoals de elektrische eigenschappen van het weefsel, de bloeddoorstroming en de biologische activiteit zoals hartslag en hersenactiviteit.

Met meerdere elektroden op onze borst kan men in een ziekenhuis de werking van het hart controleren.  Het hart is als het ware een zender die een elektromagnetisch veld rond het hart genereert. Op de huid ontstaan vervolgens elektrische potentialen, waardoor we enigszins een vergelijking kunnen maken met een ontvangstantenne. De draadjes van de elektroden brengen de elektrische lading naar een toestel die een elektrocardiogram (ECG) van het hart maakt. We krijgen bijgevolg bij elke hartslag door het veranderende elektromagnetisch veld een beeld van het samentrekken van de hartspier.

Ook hersenen zenden elektromagnetische signalen uit als gevolg van neurologische activiteit. Ook hier meet men op verschillende plaatsen potentialen om er een elektro-encefalogram (EEG) mee te maken.

De algemene basis voor zenderactiviteit is beweging. Bij radiogolven zijn het elektronen in de materie van de antenne die aan het trillen worden gebracht door een wisselstroom. In ons lichaam zijn het ionen die in en uit onze cellen bewegen.

Als lichaamsdelen ook elektromagnetische golven produceren, dan moet we m.i. met wiskunde hun signaalvorm kunnen achterhalen, zo niet ze zelfs kunnen bijsturen.
De toestand van een orgaan kan misschien vastgesteld worden door analyses als: Heeft het signaal de goede vorm? Is het signaal sterk genoeg? Wisselen de elektrische potentialen voldoende snel? Kortom, zouden we met wiskunde kunnen achterhalen hoe goed of slecht een orgaan eraan toe is?
Zouden we eventueel een genezingsproces kunnen activeren door een curve, een functie, een vergelijking bij te sturen door een factor x, y… aan te passen?
Het grootste deel van de medische behandelingen is gebaseerd op farmacologie, het toedienen van  medicijnen, kortom chemie. Ik stel me dus de vraag of wiskunde op termijn een plaats zou kunnen krijgen naast farmacologie?

Dat mijn filosofische denkoefening in 2011 een utopie was kan ik aannemen, maar in 2024 staan we inmiddels veel verder.

Het onderzoek naar kwantumchips kan m.i. zorgen voor zo’n wiskundige doorbraak in de medische wereld.

In een artikel van 16 juli 2024 (als PDF-bestand) las ik dat het bedrijf Oxford Ionics een nieuwe methode heeft gevonden om atomen (ionen) vast te houden in een kleine ruimte door gebruik te maken van elektromagnetische velden.
Ze kunnen m.a.w. de golf producerende deeltjes in materie beheersen en aansturen!

Zo te lezen zet Microsoft ook positieve stappen voor het bouwen van kwantumchips, specifiek door een nieuwe “ruisonderdrukkende methode” toe te passen om qubits te meten. Qubits zijn de deeltjes die zowel een 1 als een 0 kunnen zijn en alles daar tussenin.
Ik interpreteer dat net zoals bij radiogolven het bouwen van filtertjes mogelijk moet zijn om bepaalde golven (van lichaamsdelen) door te laten en andere (ruis)golven te onderdrukken…

Het mag intussen duidelijk zijn dat ik organen tot zover spiegel aan elektronische componenten uit de hoogfrequent wereld om er vanuit een technische invalshoek over te kunnen nadenken.

Gegenereerd met AI (Copilot, Microsoft) – 8 augustus 2024.

Ik herinner me dat als twee golven worden gemengd in een mixer/een niet-lineair medium er nieuwe frequenties ontstaan die de sommatie en het verschil van de oorspronkelijke frequenties bevatten.

De vraag stelt zich dan, als we twee lichaamsdelen samen overwegen die elk een golf produceren, zou bijv. een ketting op de borst dan nieuwe (nadelige) golven kunnen veroorzaken? Het voorbeeld lijkt absurd, maar ik meen dat ‘iets’ de golven van de organen kan mixen en hierdoor andere golven kan produceren. Misschien raakt een zelfregelend systeem van het lichaam dan in de war.
De vraag houdt me ook bezig of ik naast de individuele organen en ook de combinatie ervan, zo ook technisch kan redeneren op het lichaam in zijn totaliteit…

Ik filosofeerde hierop verder…

Zou een volledig lichaam met al zijn geproduceerde golven ook als een zender of een ontvanger kunnen functioneren wat communiceren in twee richtingen mogelijk maakt?

Meer concreet, zou een levend lichaam ook een draaggolf kunnen produceren waarop informatie kan gemoduleerd worden die kan doorgegeven worden aan andere mensen?

In dit geval denk ik niet aan het genetisch doorgeven van eigenschappen. Ook niet aan het doorgeven van gewoontes, gedragingen of voorkeuren via culturele, sociale of omgevingsfactoren. Ik heb het dus niet over wat Stef Bos zingt in ‘Papa’ en waarin je hoort “ik lijk steeds meer op jou”.

Ik denk eerder aan zaken die onbewust kunnen opgepikt worden door derden.
We begeven ons hiermee in het domein van de parapsychologie of waar wetenschappelijke onzekerheid troef is. In dit domein heeft telepathie zijn focus op het over afstand (tele) overbrengen van gevoel of ervaring (pathos) tussen twee mensen zonder gebruik te maken van de klassieke zintuigen.

Door EEG-hersenscans weet men dat hersenen afhankelijk van de hersenactiviteit, verschillende golven produceren. Het frequentiebereik varieert van enkele trillingen per seconde tot 100 Hz. Ik laat de uitleg over Alpha en Beta golven e.d.m. over aan anderen.

Wat ik wel weet is dat lange radiogolven (LW), m.a.w. deze met een laag frequentiebereik (30 kHz tot 300 kHz), andere eigenschappen hebben dan VHF-golven (30 MHz tot 300 MHz).

Zo verspreiden VHF-radiogolven zich horizontaal en hebben ze als het ware oogcontact nodig tussen de zend- en ontvangstantenne.
Lange golven zijn daarentegen heel buigzaam en kunnen de aardbodem volgen over bergen en door zeeën. Ook gebouwen vormen geen hindernis, ze buigen zich er rond. De antennes van zender en ontvanger moeten elkaar dus niet kunnen zien. Wie ooit nog luisterde naar radio-uitzendingen op lange golf (LW) kan een mindere kwaliteit van de audio-informatie hebben ervaren, maar wel radiostations hebben gehoord uit héél verre landen. Dergelijke golven met een lage frequentie zijn uiterst geschikt om te communiceren over grote afstanden bij een relatief laag vermogen.

Het ligt voor de hand dat golven met nog lagere frequenties eveneens andere eigenschappen kunnen hebben. Alleen weten we het nog niet. Misschien hebben deze golven een uiterst klein vermogen nodig om grote afstanden te overbruggen.

Laat ons denken aan de 1 tot 100 Hz golven van de hersenen.
Zouden deze trillingen de draaggolf van ons lichaam kunnen zijn om informatie door te geven?
Misschien zijn deze golven wel de basis voor telepathie?

Bron: Hilde Van den Eynde, 24/09/2015, “Hoe werken onze hersenen”, De Standaard.
De lead van het artikel: Aan de aandacht kan het niet liggen: deze eeuw is al uitgeroepen tot eeuw van de hersenen. Aan de technologie ook niet: we kunnen onze eigen hersenen zien werken. Toch weet uw partner nog steeds beter wat u gaat doen dan uw neuroloog.

En hoe kunnen we een vergelijkende test bouwen? We zouden dan wel een zendantenne nodig hebben voor een golflengte van 3000 km! Voor een kwartgolf antenne is dat een draadje spannen van 750 km, van Koekelare tot in München!
En hoe werkt de tuner? Ik wil immers niet automatisch met mijn voelsprietjes afgestemd zijn op Kamala Harris. Trillingen zouden rillingen worden.
Ik meen echter dat het zal wachten zijn tot kwantumchips ionen-bewegingen kunnen nabootsen, zoals die in en uit cellen bewegen.
Kunnen wiskundige knobbels intussen simulaties maken? Ik wil graag weten wat er in de toekomst mogelijk is.

Hoe dan ook, ik denk dat een technologische benadering met de elektromagnetische golven van organen een nuttig onderzoekdomein is in de medische wereld. Er zijn beslist parallellen.

Gert, aan Maxwell kunnen we het niet meer vragen, ken jij nog jouw integralen en differentialen?

Met Gert op de markt van Veurne (16/07/2024).

Nadien had ik nog een aanvullend gesprek met Philip Sioen.

Philip Sioen

Aanvulling met nieuw verschenen artikelen, die passen in de context van dit artikel… nuttig om te lezen:

11/08/2024 – Zenuwvezels in de hersenen kunnen mogelijk quantumverstrengeling opwekken – (PDF)
14/09/2024 – Fractalen: mooi, verdomd moeilijk en steeds nuttiger – (PDF)
26/10/2024 – DNA-schakelaars kunnen genen heel precies aan en uitzetten in organen – (PDF)
13/12/2024 – Wetenschappers ontdekken nieuwe vorm van magnetisme – (PDF)
11/03/2025 – Nieuwe methode om elektronen in beweging te observeren – (PDF)
13/05/2025 – Doorbraak in kwantumzwaartekracht – ‘theorie van alles’ dichterbij – (PDF)

Zoek de fout…

Dit is een fragment uit een Engelstalige menukaart van een restaurant in Colmar (F).

Je kan er een leuke creatieve Engelse vertaling in vinden.

Schreeuw aub niet te luid als je de fout hebt gevonden.

Te mooi om te laten liggen…

Mocht je de menukaart zelf willen zien… dan moet je het restaurant zoeken in de omgeving van Klein Venetië. Vanop het terras van het restaurant kan je onderstaand beeld zien.

Colmar, 25 juli 2024.

Le nouveau Gerdi est arrivé

’t Is er eindelijk van gekomen, maar ik had een duwtje in de rug nodig van mijn dochter.

Griet, mijn vrouwtje, stelde voor om een paar nieuwe zomerschoenen voor me te kopen. Ik durfde sneakers overwegen, maar voor de modellekes dat Griet goed voor mij vond, was ik niet te overtuigen. Steeds weer had ik een argument om een aankoop te weren. Of ik zag ze niet graag of ik was van mening dat ze me onvoldoende steun zouden geven.
De echte reden is anders. Ik ben precies getrouwd met één merk.


Al jaren droomde ik ervan om terug sportschoenen te kunnen dragen zoals ik vroeger had, van toen ik atletiek deed… adidassen uit de jaren 1970.

Ik had toen de prachtige blauwe Achill. Een super trainingschoeisel van adidas. De Achill was toen de Rolls-Royce.

Adidas Achill, model 1978.

Ik had nog steeds een ideaalbeeld uit mijn jeugdjaren van een sportschoen voor ogen. Nu en dan browste ik stiekem met de zoekterm Achill. Vintage is ‘in’ en misschien was de productie terug opgestart, dacht ik.
Ik heb die sportschoen teruggevonden, maar of ze 13 jaar na de herintroductie nog te koop was, was heel onduidelijk.

In oktober 2011 herintroduceert adidas een van hun originele hardloopschoenen, de Achill. De Achill werd voor het eerst uitgebracht in de late jaren 1960 en was toonaangevend voor moderne EVA-wigdempingssystemen en werd ontworpen met een versterkte hiel voor achillespeesbescherming. De schoen heeft een bovenwerk van pluche suède met leren overlay-details, waaronder de 3-Strepen op de zijkanten

Bij nader inzien, zou ik als zestiger toch niet meer rondlopen met die sloefen naar het oudste origineel model. Eén of andere drempel was te hoog geworden. Met het strakke model 1978 zou het anders geweest zijn.

Het Google-algoritme bleek in mijn hoofd te kunnen kijken en tikte Zalando op de schouder met een weetje over mij. Google wist dat ik zou vallen voor de SL ’72 RS, eveneens een sportschoen uit de reeks adidas Originals.

Straf was dat ik destijds ook nog met deze schoenen op de tartanpistes gelopen had. Dat kon Google toch niet weten? Google was toen zelfs nog niet geboren.

Ik zag bij de SL ’72 RS hetzelfde blauw en ook het rode streepje in de zoolrand als bij de Achill. Mijn nieuwe bril, met eveneens een combinatie van blauw en rood, zou accorderen. Het sportartikel was nog just one click away van het winkelwagentje.


Maar Griets neus krulde.
Een beetje strategie was dus nodig.
Ik koos een passend moment om het onderwerp terug op tafel te gooien… en dat is als mijn dochter erbij is…

Joke vond ze mooi en zei “papa, hoelang ga je daar nu nog van klappen?“, “je koopt dat gewoon“. Kevin volgde en Ella-Marie had ook graag een moderne opa. Griet kon haar veto niet meer aanhouden.
Vier dagen later was ik trotse bezitter.

De zaterdag vóór Moedertjesdag trok ik voor het eerst mijn nieuwe sportschoenen aan om op bezoek te gaan bij mijn moeder. Griets neus krulde nog.

Daar zette ik prompt mijn linkervoet op een keukenstoel, precies zoals een schoenenmannequin zou doen. Ik zei met een marketingtoontje erbij “Le nouveau Gerdi est arrivé“.
Mijn moeder: “Zijn dat jouw oude sportschoenen?“. Ik: “Nee, maaaaa. ’t Zijn nieuwe, maar zoals ik die vroeger had“.
Nonkel Yvan die net op bezoek was, wist aan te vullen “en… ’t zijn schone… en adidas is ‘in’ voor ’t moment“.

Griet bleef stil.

Tijdens Moedertjesdag waren we op bezoek bij Griets ma, moeke voor de kleinkinderen. Dit jaar was iedereen er.

Van mijn schoonzussen kreeg ik te horen dat ze mijn lage blauwe sneakers graag zagen.
Griets neus krulde niet meer en bevestigde: “Ja, onder jeans zijn ze mooi“.

Nu bleef ik stil.